Van Rinus Michels is de bekende maximen "Voetbal is oorlog". Ja, voetbal is een nimmer eindigende oorlog. Het Europese Kampioenschap 2008 in Oostenrijk en Zwitserland mag voor Nederland tot nu toe glansrijk verlopen, de uitkomst staat al vast: na het EK gaat de voetbaloorlog verder. Ook dan is het "Jetzt gehts los!" met de voortgaande temming van de massa en het kneden van de ontwortelde en karikaturale wereldburger. Onderstaand essay is een bewerking van een eerder essay dat in 2006 naar aanleiding van het WK is geschreven en voor de EK 2008 enigszins is aangevuld en omgewerkt.
Het lijkt alsof elk EK of WK weer oude records gebroken gaan worden. Kan er nog massaler worden gekeken? Nog massaler worden vercommercialiseerd? Ongeacht de uitslag van dit EK weten we nu al dat elk einde van een voetbaltoernooi slechts een voorlopig einde is van het voorlopige hoogtepunt van de voetbalgekte in ons land, want het spelletje gaat door. En het gaat niet alleen door, maar zal een volgende keer nog waanzinniger zijn. En nu is het al waanzinnig. Scholen die niet met de Oranjegekte meedoen, riskeren haat- en dreigmails. Nu gaan de ministers er nog naartoe, maar wat als Willem-Alexander koning wordt? Zit dan het koningshuis langs de lijn? Worden er dan net als met Koninginnedag ook travestietenshows gehouden? Wat betreft dit laatste: zo onwaarschijnlijk is dit niet. Althans niet voor wie de foto's heeft gezien met hossende Nederlandse mannen in Bern met grote oranje soepjurken aan, met z'n allen in de polonaise. Wat heeft dit met voetbal te maken? Niets. Evenals het feit van de trouwdag van Rafael van der Vaart waarop deze dertig rozen aan zijn vrouw gaf tijdens het verblijf in Bern - alle vrouwen en kinderen blijken mee te zijn afgereisd naar Zwitserland. Of het feit dat ze de nacht daarna de slaapkamer met elkaar deelden. Zelfs op het ANP-nieuws werd hiervan mededeling gedaan. De jurk, het kapsel van Sylvie Meis (want zo heet de vrouw van Rafael) - alles doet ertoe tijdens deze EK. Miljoenen mensen zitten aan de buis en nemen zo deel aan dit zogenaamd onschuldige spelletje. Of lezen de enorme stroom van EK-artikelen in gratis kranten. Of beluisteren alles op de radio tijdens het werk. De massaliteit van dit gebeuren is historisch gezien ongekend. Evenals datgene waar dit alles mee gepaard gaat: de enorme persiflage op symbolen, vlaggen, liederen, riten en symbolen waaronder dat van de natie.
Want in tegenstelling tot wat menigeen denkt, is voetbal niet nationalistisch, maar is integendeel een antipatriottistisch spel. De onzinnigheid van het gebeuren toont zich in de inwisselbaarheid van spelers en - bij verlies van het eigen landsteam - zelfs die van landenteams. Want verliest Nederland, dan stappen sommige Nederlanders qua sympathie over naar een land als Duitsland omdat ze een hekel hebben aan Frankrijk, of andersom. Net zoals sommige Zwitsers nu opeens supporter van Nederland zijn. De persiflage op vaderlandsliefde en op historische symbolen is het duidelijkst te zien in het fenomeen "oranjegekte". Stond oranje voorheen als symbool voor koningshuis, de geschiedenis van ons land, de vrijheidsstrijd en onze nationale trots, tegenwoordig staat Oranje voor oranjetompouces, oranje veder- en Stahlhelmen en een oranje landbouwdekzeil om je huis tijdens een EK mee in te draperen.
Een onschuldig spelletje?
Wie voetbal, interlands en kampioenschappen voor ogen heeft, live of via de televisie, ontkomt niet aan de beelden van de primaire reacties van het publiek. Het schouwspel van uitzinnig uit het dak gaan bij een doelpunt, de frustraties na het verlies, de vele liters bier, het scanderen van leuzen, het rauwe gezang en de onstuimige kameraadschap dat wordt gecombineerd met een volstrekt schaamteloos uitventen van datgene dat nog als "volkscultuur" wordt bestempeld. Het is niet vreemd dat dit bij de oppervlakkige, moralistische geest tot de constatering leidt dat voetbal het beest in de man losmaakt. Historisch gezien is er iets te zeggen voor deze constatering. Het ontstaan van de massale evenementen van toeschouwers in stadions is namelijk niet los te zien van de spektakels in het Romeinse Rijk. Berucht is nog steeds het adagium van Juvenalis om het volk "brood en spelen" te geven. Het plebs moest tevreden worden gesteld. En meer dan dat: al snel ontwikkelden de Romeinse keizers de techniek om massa-sport te gebruiken voor de toepassing van het verdeel en heersprincipe. Door kunstmatige supporterskampen te creëren, deze tegen elkaar uit te spelen door de een willekeurig te bevoordelen boven de ander, hield men de massa - het plebs - bezig en hield men het ook onder de duim.
De Engelse historicus en socioloog Eric Hobsbawm beschrijft hoe de Britse elite vormen van massavermaak introduceerde als nieuwe vormen van traditie [1]. In de essaybundel - met de veelzeggende titel - The Invention of Tradition plaatst hij het fenomeen massa-sport in het kader van een tijd waarin begrippen als natie en imperium geconstrueerd en ingevuld werden door de politieke en culturele elite. Hobsbawm zelf gebruikt dan ook niet voor niets de term Mass-Producing Traditions. Door kunstmatige onderscheidingen tussen klassen, politieke controle door de elite en manipulatie door de commercie, was er in de negentiende eeuw - het era waarin massasport tot ontwikkeling kwam en groei kwam - een onmiskenbaar verband tussen de opkomst van nationalisme en de opkomst van sportevenementen en -organisaties. En wie naar historische voorbeelden kijkt, kan niet ontkennen dat er een sterk verband bestaat tussen nationaal bewustzijn en sportieve massacultuur. Niet alleen in totalitaire staten als het Hitler-Duitsland, de voormalige Oostbloklanden of de Volksrepubliek China, maar ook in niet-dictatoriale landen als Italië, Duitsland en de Verenigde Staten is er een sterk verband te constateren tussen het bewustzijn van de massa en de deelname aan massa-evenenementen. De kunstmatigheid van het fenomeen massasport - in het bijzonder een Europees Kampioenschap Voetbal 2008 - is evident. Het zogenaamde nationalisme van events als een EK is een voorportaal van globalisering, zij het één die wordt voorgesteld als terugkeer naar nationalisme [2]. EK en WK kweken een houding bij de voetballiefhebber (zowat de ganse bevolking) om in elke Braziliaan of Kameroenees een mede-wereldburger te zien. De oranje vlag bestrijkt met een EK de gehele wereld, net zoals een Poolse tweekleur ook Brazilië lijkt te bestrijken... Maar is het alleen het kunstmatig opgeklopt vaderlandslievend sentiment dat ons tegenstaat? Is het de enige zonde van de massa-sport dat ze het nationalisme - zelf een kunstmatige negentiende-eeuwse uitvinding pur sang - versterkt? Met andere woorden: zit het verwerpelijke alleen in de in-dienst-staan-van iets laakbaars, namelijk nationalisme? Of betreft het verwerpelijke ook iets inherents dat verweven is met het fenomeen massa-sport?
Remming en ontremming
De Duitse filosoof Peter Sloterdijk wijst in zijn essay Regels voor het mensenpark niet alleen op de oorsprong van het fenomeen sportief massa-spektakel in het Klassieke Rome, maar legt eveneens de relatie bloot tussen "bestialiserende" massa-evenementen en het "humanisme" dat dit bestialiserende juist wilde tegengaan [3]. Sloterdijk gebruikt voor deze tegenstelling de termen "remming" en "ontremming". Het humanisme wilde het beest in de mens temmen door cultivering en/of ascese. Het imperialisme wil(de) de massa tot massa maken: onschadelijk en bruikbaar voor machtspolitieke doelen van consoliderende en imperiale aard. Het beheersen van de menigte is niet alleen het beheersen van de massa's, maar is ook het voortdurende creëren van de massa als massa. Iemand die dit heeft ingezien is Elias Canetti. In zijn standaardwerk over de massa Masse und Macht reikt hij enkele "beginselen" aan die volgens hem bepalend zijn voor elke "massa". Deze kenmerken zijn volgens Canetti als volgt: 1) De massa wil voortdurend groeien; 2) Binnen de massa heerst gelijkheid; 3) De massa houdt van drukte van de menigte (Canetti: "Dichte"); en 4) De massa heeft een richting nodig. [4]
Canetti's bepalingen zijn bruikbaar bij het leren zien van de massa als instrument van politieke en culture aard. De drang tot toename komt overeen met het imperiale karakter van de massa waar Sloterdijk op doelt in zijn notie van "remming en ontremming". Het imperiale principe is niet alleen toepasbaar op het kwantitatieve, maar ook op het kenmerk van gelijkheid: de massa leeft bij de aangenomen gelijkheid om dezelfde gelijkheid ook te bewerkstelligen. Want de massa verdraagt niets "er tussenin". De verdichting is noodzakelijk om het moment van ontlading te bereiken; het moment waarin alles wat tussen het doel en de massa staat "wegvalt". Met het doel wordt het immer voortschrijdende doel bedoeld dat als het ware meegroeit met de massa en zo voortdurend haar imperiale, hongerige en nooit tevreden geest voedt. Deze bevindingen zijn van toepassing op dat wat er gebeurt in een voetbalstadion tijdens een voetbalwedstrijd (of een soortelijke gebeurtenis van sportieven of zelfs muzikale aard). Hoe groter de stadions des te imposanter deze worden ervaren. Hoe meer kijkers er kijken, hoe groter de betovering in en door de media. Wordt er een doelpunt gescoord dan "valt alles weg"; de emotie bindt samen en creëert een gevoel van totale saamhorigheid - gelijkheid. Het doel van het samenzijn is weliswaar duidelijk, maar schuift voortdurend op richting een eindeloos uitdijend en repeterend gebeuren. De massa doet met zichzelf wat machthebbers met dwangmiddelen nauwelijks kunnen: extatische gelijkschakeling bewerkstelligen.
Massa en elite
De moderne imperiale elite heeft de massa dan ook nodig voor zichzelf. De massa is nodig om dingen weg te laten vallen; in het radicaal individualiserend karakter van de massa doen andere verbanden er immers niet meer toe? Zo wordt de voorheen onlosmakelijke tot inwisselbare "eigenschap". De massa is echter bruikbaar om de massa zonder eigenschappen een nieuwe of andere identiteit te verschaffen. Verder mobiliseert de massa de mensen en verwijdert ze zo van hun oorspronkelijke ondergrond en omgeving die een hindernis vormen voor de in gang gezette dynamische en imperiale processen van politieke, culturele en economische aard. Dezelfde processen die zijn waar te nemen bij de massa, zijn van toepassing op de elite zelf. Dynamisch, mobiel en ontworteld, "profiteert" de elite van dezelfde eigenschappen als die de massa bezit. De nieuwe identiteit die de massa de mensen schenkt, kent andere verplichtingen dan de oude identiteit dat deed (en kent soms in het geheel geen verplichtingen vanuit de elite naar de massa toe). Wanneer de massa bijvoorbeeld tot onredelijke eisen komt voor meer welvaart en welzijn, krijgt de elite de bevoegdheid in handen om deze onredelijke eisen te kunnen beantwoorden met buitenproportionele en (voorheen illegitieme) machtsmiddelen die de elite in staat stelt de eigen positie veilig te stellen en te versterken. En waar een massa mobiel is en zelf haar "cultuur" en "moraal" bepaalt, vervalt de aloude verplichting van de oude elite om net als het volk lokaal en traditioneel gebonden te zijn aan plaats, traditie en gewoonte. De handen zijn vrij om bezit en kapitaal vrij te maken van grond, plaats en concrete verbanden als volk en gemeenschap. Hindernissen als moraal zijn dan geen sta-in-de-weg meer voor het vermeerderen van rijkdom en kapitaal.
Het ultieme ideaal van de moderne elite is dat de massa de principes incorporeert die de elite versterken en het volk verzwakken, maar als massa de illusie van macht en voldoening schenken. Deze principes zijn die van gelijkheid, ontplooiing, welvaartsgroei, mobiliteit en "vrijheid". Waarom staan deze principes voor "verzwakking"? Hierom: gelijke mensen zijn mensen zonder klassieke onvervreemdbare rechten die ze zouden onderscheiden van andere mensen. Mobiliteit en vrijheid bepalen de inzetbaarheid in het kader van economische processen. Welvaartsgroei verblindt de massa voor de gevolgen van haar wensen en haar handelen op het gebied van milieu en sociale relaties. Het principe ontplooiing maakt de massa los van natuurlijke verbanden en verplichtingen en ook los van de eigen natuurlijke identiteit (zoals die van man en vrouw) om zo nog meer als pure potentie de dynamiek van de moderniteit te versterken. Ontworteld van binnen en van buiten, zonder onlosmakelijke rechten en verbanden, zonder historie van plaats en tijd, zonder belangeloze persoonlijkheidscomponent is de massa de perfecte speelbal voor de elite die het spel beheerst en de middelen bezit om er wèl beter van te worden. Voor een topmanager is het voordelig en goed voor de carrière om makkelijk los te komen van een bedrijf en de verantwoordelijkheden van de vorige functie; voor de fabrieksarbeider is ditzelfde perspectief een rampscenario. Maar als onderdeel van de massa is de arbeider willoos en verblind. Partijen, vakbonden en amusementsindustrieën bepalen wat hij denkt, doet en vindt. Voor de elite is de juichende massa tijdens WK 2006 een hoopgevend spektakel.
Beest en geest
Massa-spektakels en massa-amusement doen iets met de mens: het roept het beest op, voeden het, temmen het en exploiteren het daarna ten behoeven van "hogere" doeleinden. De al eerder genoemde Sloterdijk laat in zijn Regels voor het mensenpark zien dat remming en ontremming - bestialisering en humanisering - niet louter elkaars tegenpolen zijn, maar elkaar veronderstellen en elkaar nodig hebben. De humanistische idee van de temming van het beest in de mens veronderstelt niet alleen het beest in de mens, maar ook de mens als beest. Maar ook het bestialiserende gebruikt - weliswaar willekeurige en voor machtspolitieke doeleinden - "regels", discipline en begrenzing van het opgeroepen massa-spektakel. Het is niet de bedoeling het stadion af te breken, maar om de agressie te kanaliseren. Het feit dat Sloterdijk hiervoor teruggrijpt op de praktijk in het oude Rome is opmerkelijk. Waarom gebruikt Sloterdijk niet het beeld van het Germanendom als typering van het "barbaarse" c.q. "beestachtige" in de mens? Sloterdijk spreekt zelfs over "het fascisme" als "ultieme synthese van remming en ontremming". Waarom plaatst hij dit nazistische element in een Klassieke omgeving van stadions, maar ook van humanisme? Sloterdijk tast dieper. Hij toont de januskop van de mens die niet alleen ontremd beest is of kan zijn, maar ook een "geremd beest": een verlichte humanist. Dat hij hiervoor teruggrijpt op het Klassieke Rome is historisch gezien niet zo vreemd.
Ook iemand als de Deens-Amerikaanse historicus David Gress maakt in zijn studie From Plato to Nato soortgelijke opmerkingen, wanneer hij stelt dat iemand als Hitler maar weinig op had met de echte, historische Germanen, maar des te meer met de oude Grieken en Romeinen [5]. De Nazi's stonden ambivalent tegenover het Germanendom, juist vanwege de barbaarse reputatie. Hitler sprak volgens Gress niet voor niets over "de Grieken en de Romeinen" als de "ware Germanen" wier nalatenschap werd gerepresenteerd door het nieuwe Germania. Voor wie de architektuur van de Nazi's bekijkt en de spektakels in Neurenberg voor ogen stelt, ziet hierin ook maar bar weinig "Germaanse" Germanen, maar heel veel Romeinse c.q. Griekse "Germanen". Zo bezien is het tijdperk van de Verlichting en de Revolutie niet alleen de ontdekking van de autonome rede, maar ook van de autonome massa. Deze indruk wordt versterkt door de taferelen tijdens de Franse Revolutie. De hoge vlucht van de autonome menselijke rede ging toen gepaard met het gestuurde beestachtigheid van de massa's. Waren deze massa's oorspronkelijk nog koningsgezind en gingen de ze Bastille te lijf met de leuze "Vive le roi!". Door sturing en manipulatie veranderde dit snel. In de bloedorgie van onthoofdingen, afslachtingen en kannibalisme werd de massa tot instrument van de volkswil: massa's gedrilde voorheen opstandige "burgers" werden getransformeerd tot kanonnenvlees dat op de slagvelden van Austerlitz, Rusland en Waterloo kon worden geofferd aan de Glorie van Frankrijk.
Massa-sport als vijand
Massa-sport is een fenomeen dat zich vooral richt op de man en op zijn driften. Daarmee richt massa-sport zich op de verzwakking van de man als drager van de orde die oorspronkelijk geen weet had - en wilde hebben - van massa-spektakels als een EK-voetal. Een massa-spektakel als een EK-voetbal is dan ook minder onschuldig als het lijkt. Het is een middel van de elite om een volk te transformeren in een willoze massa, d.i. een massa die haar "volkswil" identificeert met de abstracties en banaliteiten die haar worden aangereikt. In haar massaliteit leidt dit tot versterking van direct-driftmatige, en via de anonimiteit, massaliteit en ongeadresseerdheid van haar acties leidt dit tot verzwakking van het typisch mannelijke. Want de mannelijke geest vat deze zaken als onnatuurlijk op. De man is namelijk van nature niet gewoon en niet geneigd om zich te bewegen in een massa anonieme mede-mannen, maar is gewoon om zich of solitair, of in een kleine groep van te vertrouwen en bekende medestrijders of mede-boeren of -jagers te jagen op steppen en savannes, te ploegen op het land of te strijden tegen een vijand.
Het dresseren van het beest en het naar buiten richten in de massa verwekelijkt de man, stompt zijn zinnen af en heft zijn gelaagdheid, verworteldheid en verhevenheid op. Het maakt hem een speelbal voor de "verheven" doelstellingen van de elite. Het maakt van pseudo-nationalisten al gauw "wereldburgers" die deelnemen aan de riten en symbolen van de wereldgemeenschap. Het leert de massa om het typisch mannelijke te identificeren als "beestachtigheid", "uitzinnigheid" en "niet ter zake doende kunstmatigheid". De verlichtingsdressuur van het massa-spektakel verleert het volk het onlosmakelijke verband tussen de mannelijke natuur en de verheven orde van onze beschaving. Verlichting en beestachtig uit je dak gaan, gaan hand in hand. Onze tijd laat dit volop zien. Het fenomeen EK-voetbal is een leermoment voor wie spuugt op het verlichtingsmodel waar gezonde, natuurlijke en warmbloedige mannen ondergeschikt aan zijn gemaakt. "Jetzt gehts los!" met de verdergaande afbraak van de Europese beschaving en de verdierlijking/ verlichting van de mens.
Noten
[1] Eric Hobsbawm: "Mass-Producing Traditions: Europe 1870-1914", in Eric Hobsbawm & Terence Ranger (Ed.), The Invention of Tradition, Cambridge 2005. Twee andere voorbeelden van "uitgevonden traditie" zijn 1) Koninginnedag; een liberaal feest, ingesteld in de 19e eeuw om het volksvermaak te verheffen, in banen te leiden en het volk weg te houden bij plat volksvermaak, en 2) kerkdiensten op tweede feestdagen, ingesteld door protestanten om het volk uit café's weg te houden. Het tweede voorbeeld is van enkele eeuwen eerder, maar laat zien dat liberalisme c.q. protestantisme beide het volk via aangeboden "alternatieven" wilde "ontvolksen". Dat beide pogingen om het volk burgermansfatsoen bij te brengen zijn uitgelopen op manifestaties van massa-nihilisme toont slechts aan dat kunstmatige temming van het volk, dit volk tot "massa" reduceert en in deze "massa" het potentiële ongeremde losmaakt in een spel van remming en ontremming. Het resultaat: een steeds uitzinniger massa die op "normale tijden" meer en meer staatsonderhorig gedrag vertoont.
[2] Daarmee zit ik op een ander spoor dan bijvoorbeeld Michael Paulwitz, "Laßt die Fahnen draußen!", in Junge Freiheit d.d. 6 juni 2008, die in een EK iets verhevens ontwaart: "Fußballmeisterschaft und Olympia. Selten zeigen wir so unbeschwert daß wir mit Freude einde nation sind."
[3] Peter Sloterdijk, Regels voor het mensenpark - Kroniek van een debat, Amsterdam 2000.
[4] Elias Canetti, Masse und Macht, Frankfurt am Main 1981, p. 26.
[5] David Gress, From Plato to Nato - The Idea of the West and its Opponents, New York 1998, p. 200.
Posts tonen met het label filosofie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label filosofie. Alle posts tonen
donderdag 19 juni 2008
vrijdag 4 november 2005
PARIJSE NACHTEN & HOBBESIAANSE CASTRATIES
Rellen in Frankrijk: Het blijft een opvallend verschijnsel. Ondanks de vele branden die dit land heeft meegemaakt en heeft veroorzaakt, komt het toch weer op de voorpagina's van de dagbladen: de vuurhaard van Europa staat in brand. In talloze Franse voorsteden branden auto's en andere objecten en lijkt er een complete anarchie te zijn losgebroken. Stoere taal wordt afgewisseld door tegemoetkomende maatregelen om de anarchisten te integreren. Wie als maatschappij bepaalde groepen in de samenleving te weinig kansen biedt om zichzelf te ontplooien dreigt in het vervolg in de fik te gaan. In dit tijdperk van rigoureuze zelfontplooiing voltrekt zich een ander proces van rigoureuze aard: dat van castratie. Waar een cultuur van een man verlangt, ja dwingt, zijn mannelijkheid in te leveren bij het betreden van de tempel van de democratie en waar ze tegelijkertijd dit betreden afdwingt, is deze cultuur bezig de castratie tot bestaansvoorwaarde te verheffen. Hoe kan het ook anders in een cultuur waar de angst tot deugd is verheven? De brandende auto's in de Franse voorsteden zullen de drang tot castratie versterken. Het is de vraag wat erger is: de vlammen op straat of de schroeilucht van de oplossing?
Ruim een jaar na de moord op Theo van Gogh lijkt er qua stemming weinig veranderd te zijn in vergelijking met toen: 2 november 2004. Als een nieuwe onafwendbare werkelijkheid dringt de dreiging van terreur ons continu aan ons op en evenzo continu is dat het geval met de stroom van maatregelen om deze dreiging af te wenden. Mikpunt van deze maatregelen is niet zozeer het reële gevaar, maar veeleer het potentiële gevaar dat in staat is ons te bedreigen. De discussie gaat dan ook niet zozeer over de vraag of het geoorloofd is terreur met geweld te bestrijden, maar over de vraag in hoeverre preventief geweld is te legitimeren om geweld af te wenden, of om zelfs de bron van geweld uit te roeien. Of het nu het wetsvoorstel van Donner betreft om het rechtvaardigen van geweld strafbaar te stellen, of om ons geefgedrag na de aardbevingsramp in Pakistan; steeds weer duikt onverhoeds de vraag op naar preventie in verband met terreur en dreiging. Na elke vorm van geweld te hebben gemonopoliseerd - tot aan het verbieden van de corrigerende ouderlijke tik toe - is men bezig het spoor naar de bronnen van geweld en achterlijkheid af te lopen. Angst en verdrijving ervan bepalen een belangrijk deel van het actuele publieke discours.
Tal van pas verschenen boeken bevestigen deze trend. Titels als Filosoferen in een tijd van terreur van Jürgen Habermas, Tegen de angst - Optimisme als opdracht voor de 21ste eeuw, van Ralph Bodelier, en In de greep van de angst De Europese sociaal-democratie en het rechtspopulisme, van Rinke van den Brink. Ook het gesprek tussen tussen twee van Europa's meest spraakmakende en prominente denkers van dit moment, Alain Finkielkraut en Peter Sloterdijk in Les battements du monde. Dialogue, in het Nederlands vertaald als De hartslag van de wereld. In deze gespreksbundel wordt onder meer de vraag gesteld: Is het nog wel mogelijk Amerikaan te zijn? De eerste reactie van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk liegt er niet om: "De functie van de angst in de politiek is een probleem dat de Amerikanen met de Arabieren gemeen hebben: beiden hebben nooit werkelijk de hobbesiaanse castratie meegemaakt – de onderwerping van de ongetemde trots van de burger aan de soevereine staat. Beiden hebben geweigerd hun wapens en vooral hun heroïsche geest af te leggen bij de ingang van de tempel van de democratie. Ze dragen hun wapens in de tempel, ze willen zich niet door de staat laten ontwapenen, wat volgens de hegeliaanse analyse een duidelijk bewijs is dat de staat nog niet tot hun land is doorgedrongen, of sterker nog, dat het bestaan van de staat nog geen deel uitmaakt van de diepere lagen van hun politieke psychologie. (…) Het concept castratie moet hoognodig opgelegd worden aan de vorm van het democratisch subject. Maar dat is allemaal nog toekomstmuziek." Alain Finkielkraut valt hem hierin bij: "Men mag nooit vergeten dat de politieke moderniteit geboren is uit de bloedbaden van de religieuze burgeroorlogen. Dat geboortetrauma heeft Hobbes de filosofische moed gegeven om (...) dat akelige, verachte gebrek - de angst - tot reddende hartstocht te verheffen. De mensen leggen hun wapens neer voor de ingang van de staat - de Leviathan - die natuurlijk geen democratie is, maar wel al achter het masker van het absolutisme een liberale staat verbergt..." Finkielkraut begrijpt weliswaar dat "die Ander niet altijd onschuldig is", maar de grondtoon is bij hem niet veel anders dan bij Sloterdijk.
Legitiem geweld
Het gaat bij Sloterdijk en Finkielkraut niet over de vraag of geweld wel of niet legitiem zou zijn. Want wie het geweldsmonopolie van de "Leviathan" van Thomas Hobbes opwerpt als definitieve oplossing, werpt juist deze vraag zelf op als nieuwe vraag door geweld los te maken van primaire instinctmatige handelwijze van de Gallische krijger (Sloterdijk) die zichzelf met zijn handelwijze rechtvaardigt door te staan in zijn vertrouwde bedding van gewoonte, traditie en religie. De vraag naar de legitimiteit van geweld is derhalve een nieuwe vraag die niet thuishoort in het pre-hobbessiaanse tijdperk, maar die er juist een is uit de Nieuwe Tijd. De klassieke vraag naar het juiste geweld zou er eerder een zijn naar de rechtvaardigheid van geweld in bijvoorbeeld een oorlog. Het is de vraag naar de rechtvaardigheid die in het hobbesiaanse politieke klimaat onwerkbaar is. Rechtvaardigheid is immers een algemeen goed, en impliceert - of suggereert althans - dat niemand is uitgezonderd van een zogenaamd "gerechtvaardigd recht op het juiste geweld". Sloterdijk vertolkt de stem die meent dat samenleven en leven slechts mogelijk is indien de mens alles aflegt. Want de probleemstelling begint weliswaar bij het probleem van terreur en oorlogsdreiging, uiteindelijk dienen "alle attributen die aanleiding geven tot arrogantie, tot aanmatiging, tot de wil om de eigen eigenschappen op de voorgrond te stellen" worden afgelegd. Sloterdijk: "Wie eenmaal door die enge poort is ingegaan, wordt ingelaten tot de tempel van de democratie."
Door de geschiedenis of het alomtegenwoordig, onontkoombaar heden (Finkielkraut) in te delen in een pre-hobbesiaans voorstadium van ongetemd geweld en in een hobbesiaans stadium van onderworpenheid aan democratie en rechtsstaat, deelt men de geschiedenis in naar eigen believen. Het is een wijze van indelen die liberaal en humanistisch geënsceneerd is, maar die bovendien een sterke gelijkenis vertoont met islamitische denkpatronen. Het hobbesiaanse spectrum werd gevormd door Hobbes' ervaringen tijdens de bloedige Engelse burgeroorlogen in de zeventiende eeuw. Het heeft als grondpremisse een wereld van wanorde en chaos, met daarin mensen die zichzelf en de ander tot wolf zijn. Sterker dan de vernietingsdrang is echter de drang tot zelfbehoud en veiligheid. Hiervoor hebben de burgers - de kleine leviathans - een staat in het leven geroepen: de grote Leviathan - de Staat - om daar elke soevereiniteit en geweldsbevoegdheid aan over te dragen. De twee onderling met elkaar samenhangende basiselementen van het hobbesiaanse spectrum zijn strijd en overheersing. De constante dreiging van geweld en burgeroorlog, die de menselijke natuur met zich meebrengt, roept in de evenzeer menselijke drang tot lijfsbehoud om een alomvattende, onontkoombare soeverein staatslichaam dat geen enkel zelfstandig, soeverein onderdeel in zich verdraagt. De ervaring van de burgeroorlogen in zijn eigen land brachten Thomas Hobbes bij zijn staatsleer die herontdekt werd in het chaotische Europa van het Interbellum door onder meer Carl Schmitt en Leo Strauss. De basisgedachte van overheersing en beheersing is tegelijkertijd een humanistische premisse. Het is Sloterdijk zelf die deze gedachte meerder malen heeft uitgewerkt, waaronder in zijn Regels voor het mensenpark. Hierin verbindt hij de notie van "temmen" met het humanisme waarin het lagere door het hogere werd getemd, door middel van brief, vriendschap en cultuur. Door zo overduidelijk in te zetten bij Hobbes ontlokt Sloterdijk vanzelf de vraag of hij zich hier niet ontpopt als een rasechte supra-humanist. Het antwoord op deze vraag heeft gevolgen voor de waardering van Nietzsche en Heidegger - twee filosofen in wier pad Sloterdijk zich wenst te begeven. De ontembare humaniseringsdrang van Sloterdijk werpt als het ware een ander licht op de verholen mensvisie van genoemde heren. Is er bij Sloterdijk misschien sprake van weerzin ten aanzien van de menselijke natuur? En doet dat hem, en anderen, tot steeds zwaardere middelen grijpen? Als het waar is wat Heidegger en Sloterdijk ontdekten, namelijk dat de brief of de vriendschap niet meer helpen om de bommen tegen te houden, moet dan het mes tevoorschijn worden getrokken?
Er valt er veel voor Sloterdijks scherpzinnige waarnemingen te zeggen, nog afgezien van zijn interpretatie ervan. De vraag blijft echter staan hoe het mogelijk is dat een natie die is gesticht door hen die de burgeroorlogen wilden ontvluchten - de Founding Fathers - zich konden onttrekken aan de historische noodzakelijkheid van de Staat (Hegel) - een waarheid die door Hobbes en zijn castratieleer was voorbereid. Duidt de politieke werkelijkheid van Amerika niet op de mogelijkheid dat er ook andere antwoorden zijn om het schrikbeeld van burgeroorlog te vermijden? En dat er andere antwoorden mogelijk zijn dan Hobbes en Hegel ons geschonken hebben? Sloterdijk laat zich pas echt van een zwakke zijde zien wanneer hij in het gesprek met Finkielkraut goedkoop teruggrijpt op het stereotype beeld van de Amerikaan als "gunfighter": "die dan ook goed politiek-psychologische redenen hebben om net als in een politieke western een rechtstreeks duel aan te gaan; dat zou een van de bepalende elementen kunnen zijn van de eindeloze wereldoorlog die we kunnen verwachten". Sloterdijk – en Finkielkraut gaat daarin met hem mee - schildert met zijn tegenstelling tussen de hobbesiaanse democratie versus de gunfighter-samenleving van de Amerikanen en de Arabieren echter een tegenstelling die ondeugdelijk is. De continuering van het pre-hobbesiaanse staatsmodel in het huidige Amerikaanse model zou noodzakelijkerwijs moeten impliceren dat het pre-hobbesiaanse Europa zou lijken op de Arabische wereld van nu. De door Sloterdijk opgevoerde “gunfighter” is echter een enkeling die zonder revolver uitstekend een manager of filosofenfunctie kan bekleden in de Sloterdijkiaanse maatschappij. De Amerikaanse werkelijkheid is anders dan dat Sloterdijk die schetst. Niet het primaat van het geweld voert daar de boventoon - ook niet verholen zoals in Sloterdijks angstpanorama's - maar de zelfredzame, weerbare en verantwoordelijke gemeenschapsmens. De klassieke republikeinse Amerikaan is juist gesmoord door het grove staatsgeweld van Abraham Lincoln met zijn absolute soevereine staatsmachtidee. Het is Lincoln geweest die de oorspronkelijke militia van burgers die zelf de wapens grepen om hun land en hun rechten te verdedigen heeft getransformeerd tot het concept massalegers in dienst van de Hegeliaanse Staatsmacht. Dat het pre-hobbesiaanse tijdperk in de Verenigde Staten nog niet geheel is afgesloten, doet daar niet zoveel aan af.
Blind staren
Sloterdijk en Finkielkraut staren zich – net zoals zovele niet-filosofische Europeanen – blind op geweld. Heeft niet juist de mobilisatie van het ontembare geleid tot vormen van castratie die nu ons Europa typeren? Wie echter de geschiedenis van het imperiale Engeland bestudeert zal er achter komen dat empire-building niet gaat zonder inzet van mensen en materieel uit de achtergebleven gebieden en achterstandswijken, maar dat dezelfde empire-building diezelfde reserves ook nog eens aantast en vernietigt. De hobbesiaanse maatschappij – zo leert ons het Engelse voorbeeld – castreert niet alleen met gedwongen afdracht van bevoegdheden door burgers, maar ook met behulp van militair en economisch imperialisme en als het ware met geweldsmobilisatie. Ook in het huidige Amerika zien we militair imperialisme en het opruimen van de pre-hobbesiaanse restanten hand in hand gaan. Dit alleen al plaatst op zijn minst enkele vraagtekens bij de al te makkelijke associatie door Sloterdijk van hobbesianisme met geweldloze democratie. Deze vraagtekens worden voor mij versterkt na het (her)lezen van een artikel van Arend Jan Boekestijn uit 2003, waarin hij in Trouw stelde: “Amerika is de enig overgebleven grote mogendheid die zich bevindt in een hobbesiaanse wereld vol gevaren die niet afdoende kunnen worden bestreden door internationaal recht.”. Boekestijn verbond in zijn artikel in feite de Amerikaanse hobbesiaanse politiek met de temmingsdrang richting de Arabische culturen om deze democratie, vrijheid en vrije handel op te leggen – om te castreren zouden Sloterdijk en Finkielkraut moeten toevoegen. Wie aan dit inzicht het volgende toevoegt, namelijk dat Amerikaanse neo-conservatieven zich nadrukkelijk hebben gedistantieerd van de hayekiaanse angst voor een grote staat, dan worden de barsten in het betoog van de genoemde Europese gerenommeerde denkers al snel zichtbaar.
Het beeld van een Amerika dat nog is blijven steken in de pre-hobbesiaanse primitiviteit wringt dus nogal. We noemden al het feit dat "Amerika" ook een zogenaamde "oplossing" bleek te zijn voor de burgeroorlog in Engeland. De vergelijking met de Arabieren gaat echter op een ander punt mank: het al eerder genoemde punt van de basiselementen strijd en overheersing i.c. beheersing. Wie de islam goed bekijkt ziet namelijk beide elementen - die zo inherent zijn aan humanisme en liberalisme (ook volgens Sloterdijk!) - overduidelijk aanwezig in alle lagen van deze godsdienst. Het voert in het kader van dit artikel te ver om hier op door te gaan, maar hier toont Sloterdijk zich de filosoof die delibereert tegen beter weten in. En de vraag rijst tegelijkertijd of de werkelijkheid van oorlog en dreiging dan verdwenen is onder het hobbesiaanse staatsmodel? Het is alsof Sloterdijk, en met hem Finkielkraut, ons wil zeggen: waar Hobbes zijn werk heeft gedaan is er een nieuwe mens ontstaan die in en door zijn castratie andere vormen van oorlog zich democratisch heeft toegeëigend. De religieusprotestantse ondertoon in de woorden van beide heren doen ons huiveren. In zoverre deze filosofen een beeld schetsen van onze Westerse cultuur, lijken de constateringen van - met name - Sloterdijk deels juist; maar het lijkt tegelijkertijd de beschrijving van een uit de hand gelopen experiment van het christendom. En de advocaten van de duivel zullen deze klus wel afmaken.
De reserves die maar niet snel genoeg opraken...
De Duitse filosoof gooit hier zijn eigen glazen in. Het is namelijk Sloterdijk zelf die in Euro-taoïsme de aandacht heeft gevestigd op de zogenaamde "reserves". Hierbij sloot hij aan bij eenzelfde basisgedachte van zijn leermeester Dieter Claessens die in Das Konkrete und das Abstrakte spreekt over de "conservatieve reserves" van onze cultuur, die door Matthias E. Storme alsvolgt worden toegelicht: “Wanneer wij de cultuur deconstrueren omdat we er individueel de zin niet meer van begrijpen, dan werpen wij wijsheid weg, niet van jaren, niet van eeuwen, maar van millennia. Millennia-oude menselijke ervaringen hebben een neerslag gevonden in de religie, gebruiken, verwantschapsstructuren, waarden, en feesten, elementen van telkens particuliere tradities, overgeleverd van generatie op generatie, in alles wat de moderne mens sinds de Verlichting als bijgeloof uit de weg probeert te ruimen.” Hoe kan Sloterdijk dit met elkaar rijmen, om enerzijds de vinger leggen bij deze zere plek: het uitputten en opteren van de culturele en ecologische reserves, en ondertussen - tussen de inzichten door - een totalitair heers- en tem-model op de overgebleven reserves los te laten? Is bij hem de angst uiteindelijk toch sterker dan het filosofische inzicht?
Het mes van de angst
Het zal ook Sloterdijk genoegzaam bekend zijn dat Hobbes zijn absolute staatssoevereiniteit niet alleen van toepassing achtte inzake het geweldsmonopolie, maar ook op zogenaamde absolute rechten en autonome en onlosmakelijke verbanden. Hobbes' castratiedrang stopte niet bij het voorkomen van burgeroorlog sec. Wat Hobbes deed was een mobilisatie van de algemene Staatsangst: de angst van machthebbers en belangenbezitters voor verlies van orde, gezag en macht. Daarbij was hij bereid alle grenzen te trotseren: kerk, gilde, eigendom, etc. Grenzen die in onze cultuur allang ten prooi zijn gevallen aan de castratiedrang van hen die zich staatsman of filosoof noemen. Hobbes wist van deze ene zwakke plek: het mes van de angst doet vele mensen besluiten zich te laten castreren door de Staat. En het zijn met name de mannelijke attributen die ten dienste van de veiligheid moeten worden weggesneden: onvervreemdbare rechten, bezit van vrouw en kinderen, onvervreemdbaar bezit, etc. Maar angst doet vreemde sprongen maken.
In de Trouw van 29 oktober j.l. verscheen een interessante uiteenzetting over het fenomeen angst in Het dubbele gezicht van de angst van de hand van wijsgeer-psychiater Gerrit Glas. Glas spreekt over de traditionele angst die van buiten komt en daarom definieerbaar is, en over de angst die van binnen komt en diffuus en globaal van karakter is: “Met de onbeheersbaarheid komen we dichter bij de kern. Angst voor terreur past niet in het patroon van traditionele gevaren zoals ziekte, verlies van een geliefde, ongelukken of natuurrampen. De angst daarvoor is definieerbaar en min of meer afgrensbaar. Hij komt bovendien van buiten; het is rampspoed die ons overkomt. Die factoren gelden niet voor een aantal typisch moderne gevaren: ecologische rampen, financiële crises en ook terreur. Dergelijke rampspoed komt niet van buiten maar van binnen.” Verder wijst de schrijver op het tekortschietende van het staatsingrijpen dat zelfs het probleem aanzwengelt en versnelt: “De toename van controle werkt niet alleen geruststellend, maar bevestigt dat we vreemden ten opzichte van elkaar zijn en dat we elkaar niet meer kunnen vertrouwen.” Spreekt de filosoof Glas over de onbestemde ondefinieerbare angst; Finkielkraut maakt het in feite erger door te wijzen op de onbestemdheid van de ander die “niet altijd onschuldig is”. Het is daarom een gevaarlijk filosofisch spel dat genoemde twee heren spelen. Want het als het ware "op alles voorbereid zijn" van Finkielkraut naar buiten toe en het als het ware "alle ellende zien te voorkomen" naar binnen toe van Sloterdijk vormen tezamen een dodelijke combinatie voor al die culturele en andere reserves die er nog resteren. De aangepaste en gecastreerde, ongevaarlijke mens kan immers slechts rustig leven als alle externe gevaren of geëlimineerd zijn of geneutraliseerd zijn?
Nog een mes
Dat het hobbesiaanse castratiemechanisme geen barrières kent, illustreerde enige tijd terug Ariadne van Schirach in Der Spiegel. Deze Berlijnse journaliste en studente filosofie schilderde in dit Duitse opinieweekblad één van de successen van de castratiecultuur: de moderne man. In het artikel "From Pornography to Withdrawal" tekent ze het beeld van de man die door de pornografisering vervreemd dreigt te raken van het bestaan en van de vrouw en daardoor basale mannelijke eigenschappen aan het verliezen is: "The more pornographic our society becomes, the more it loses interest in procreation. As a result of the constant onslaught of stimuli, female desire in particular is faced with irreconcilable paradoxes. And men leave the role of the hunter to women." De feitelijke impotentie, en het uit handen geven van het seksuele initiatief duiden het toekomstscenario van de moderne gecastreerde man die de laatste rest mannelijk legitiem geweld uit handen heeft gegeven. Ariadne von Schirach stipt in haar artikel enkele woorden aan van de Franse schrijver Michel Houellebecq die in The Possibility of an Island, schreef dat “the consistent pursuit of individuality must inevitably lead to the death of love, to a state in which we will be so in love with ourselves that we will no longer be capable of loving anyone else.” En Von Schirach vraagt zich dan ook af: “Is dit waar? Zijn we die geharde hedonisten geworden waar onze grootouders, de paus en de Frankfurter Schule ons zo tegen hebben gewaarschuwd?”
Maar we moeten zelf het gezond verstand ter hand nemen. Want wie de ideeën van Sloterdijk en Finkielkraut tot zich door laat dringen met de illustraties van onder meer Ariadne von Schirach en Gerrit Glas, ziet het beeld ontstaan van de hobbesiaans gecastreerde man die weliswaar hard en gepantserd van buiten is om zich te onttrekken aan alle werkelijke tegenslagen, maar die bovendien leeg van binnen is en zodoende immuun is voor elk onbestemd “gevaar”. De prijs die hij daarvoor moet betalen is dat hij voortdurend stimuli nodig heeft om hem zijn falen en ontmannelijking te doen vergeten en hem te behoeden voor de totale vervreemding van de werkelijkheid die er nog over is. Brandende auto's en Parijse nachten hebben tijdenlang gehuist in de harten van onze "leiders" en "denkers". Nu de denkbeeldige huizen en auto's ook daadwerkelijk in vlammen opgaan, komt het mes op tafel. Waar in oude tijden gesnedenen werden geweerd uit de tempel; in de tempel van de democratie huizen alleen gesnedenen: gepantserd van buiten, leeg van binnen en impotent van onderen.
Als dit het integratiescenario is waar de talloze op drift geraakte jongeren van Arabische, Afrikaanse en islamitische afkomst mee geconfronteerd zullen worden, dan moeten we ons afvragen of het niet wenselijker is om tijdelijk het risico van brandende auto’s voor lief te nemen en ondertussen na te denken over andere “oplossingen” dan die van Sloterdijk en Finkielkraut. Oplossingen die niet de rekening zullen afwentelen op burgers van goede wil, omdat de afgelopen decennia de Europese politici en filosofen van buiten weliswaar glad en gepantserd leken, maar van binnen leeg, angstig en ontredderd blijken te zijn. Daar kan alle eruditie en welbespraaktheid van de wereld niets aan veranderen. Daar zullen op den duur de burgers zelf het gezond verstand ter hand moeten nemen en dient men hun "leiders" en "denkers" maar aan de kant zetten. Als men tenminste zelf niet slachtoffer wil worden van het "mes".
Literatuur
* Arend Jan Boekestijn, “Met Thucydides op oorlogspad”, in Trouw d.d. 22 maart 2003
* Dieter Claessens, Das Konkrete und das Abstrakte – Sociologische Skizzen zur Anthropologie, Frankfurt 1980, waarin Claessens de conservatieve reserves alsvolgt definieert: “Die Masse derjenigen kulturellen Standards, die Verhalten insgesamt absichterten und die in traditionneller Weise angesammelt wurden, wie Werte, Normen, "Institutionen", Sitten, Braeuche, religiöse und culturelle Tagesverhaltensweisen, die sich den archaisch-evolutionären Möglichkeiten angelagert haben.”
* Alain Finkielkraut en Peter Sloterdijk, De hartslag van de wereld, Amsterdam 2005
* Gerrit Glas, "Het dubbele gezicht van de angst", in Trouw d.d. 29 oktober
* Thomas Hobbes, Leviathan, Amsterdam 2002
* Irving Kristol, “The Neoconservative Persuasion”, in The Weekly Standard d.d. 25 augustus 2003
* Ariadne von Schirach, "From Pornography to Withdrawal", in Der Spiegel d.d. 28/10/2005
* Peter Sloterdijk, Regels voor het mensenpark - Kroniek van een debat, Amsterdam 2000, 2e druk
* Matthias E. Storme, GEWORTELD EN GELAAGD op bitterlemon.eu
Ruim een jaar na de moord op Theo van Gogh lijkt er qua stemming weinig veranderd te zijn in vergelijking met toen: 2 november 2004. Als een nieuwe onafwendbare werkelijkheid dringt de dreiging van terreur ons continu aan ons op en evenzo continu is dat het geval met de stroom van maatregelen om deze dreiging af te wenden. Mikpunt van deze maatregelen is niet zozeer het reële gevaar, maar veeleer het potentiële gevaar dat in staat is ons te bedreigen. De discussie gaat dan ook niet zozeer over de vraag of het geoorloofd is terreur met geweld te bestrijden, maar over de vraag in hoeverre preventief geweld is te legitimeren om geweld af te wenden, of om zelfs de bron van geweld uit te roeien. Of het nu het wetsvoorstel van Donner betreft om het rechtvaardigen van geweld strafbaar te stellen, of om ons geefgedrag na de aardbevingsramp in Pakistan; steeds weer duikt onverhoeds de vraag op naar preventie in verband met terreur en dreiging. Na elke vorm van geweld te hebben gemonopoliseerd - tot aan het verbieden van de corrigerende ouderlijke tik toe - is men bezig het spoor naar de bronnen van geweld en achterlijkheid af te lopen. Angst en verdrijving ervan bepalen een belangrijk deel van het actuele publieke discours.
Tal van pas verschenen boeken bevestigen deze trend. Titels als Filosoferen in een tijd van terreur van Jürgen Habermas, Tegen de angst - Optimisme als opdracht voor de 21ste eeuw, van Ralph Bodelier, en In de greep van de angst De Europese sociaal-democratie en het rechtspopulisme, van Rinke van den Brink. Ook het gesprek tussen tussen twee van Europa's meest spraakmakende en prominente denkers van dit moment, Alain Finkielkraut en Peter Sloterdijk in Les battements du monde. Dialogue, in het Nederlands vertaald als De hartslag van de wereld. In deze gespreksbundel wordt onder meer de vraag gesteld: Is het nog wel mogelijk Amerikaan te zijn? De eerste reactie van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk liegt er niet om: "De functie van de angst in de politiek is een probleem dat de Amerikanen met de Arabieren gemeen hebben: beiden hebben nooit werkelijk de hobbesiaanse castratie meegemaakt – de onderwerping van de ongetemde trots van de burger aan de soevereine staat. Beiden hebben geweigerd hun wapens en vooral hun heroïsche geest af te leggen bij de ingang van de tempel van de democratie. Ze dragen hun wapens in de tempel, ze willen zich niet door de staat laten ontwapenen, wat volgens de hegeliaanse analyse een duidelijk bewijs is dat de staat nog niet tot hun land is doorgedrongen, of sterker nog, dat het bestaan van de staat nog geen deel uitmaakt van de diepere lagen van hun politieke psychologie. (…) Het concept castratie moet hoognodig opgelegd worden aan de vorm van het democratisch subject. Maar dat is allemaal nog toekomstmuziek." Alain Finkielkraut valt hem hierin bij: "Men mag nooit vergeten dat de politieke moderniteit geboren is uit de bloedbaden van de religieuze burgeroorlogen. Dat geboortetrauma heeft Hobbes de filosofische moed gegeven om (...) dat akelige, verachte gebrek - de angst - tot reddende hartstocht te verheffen. De mensen leggen hun wapens neer voor de ingang van de staat - de Leviathan - die natuurlijk geen democratie is, maar wel al achter het masker van het absolutisme een liberale staat verbergt..." Finkielkraut begrijpt weliswaar dat "die Ander niet altijd onschuldig is", maar de grondtoon is bij hem niet veel anders dan bij Sloterdijk.
Legitiem geweld
Het gaat bij Sloterdijk en Finkielkraut niet over de vraag of geweld wel of niet legitiem zou zijn. Want wie het geweldsmonopolie van de "Leviathan" van Thomas Hobbes opwerpt als definitieve oplossing, werpt juist deze vraag zelf op als nieuwe vraag door geweld los te maken van primaire instinctmatige handelwijze van de Gallische krijger (Sloterdijk) die zichzelf met zijn handelwijze rechtvaardigt door te staan in zijn vertrouwde bedding van gewoonte, traditie en religie. De vraag naar de legitimiteit van geweld is derhalve een nieuwe vraag die niet thuishoort in het pre-hobbessiaanse tijdperk, maar die er juist een is uit de Nieuwe Tijd. De klassieke vraag naar het juiste geweld zou er eerder een zijn naar de rechtvaardigheid van geweld in bijvoorbeeld een oorlog. Het is de vraag naar de rechtvaardigheid die in het hobbesiaanse politieke klimaat onwerkbaar is. Rechtvaardigheid is immers een algemeen goed, en impliceert - of suggereert althans - dat niemand is uitgezonderd van een zogenaamd "gerechtvaardigd recht op het juiste geweld". Sloterdijk vertolkt de stem die meent dat samenleven en leven slechts mogelijk is indien de mens alles aflegt. Want de probleemstelling begint weliswaar bij het probleem van terreur en oorlogsdreiging, uiteindelijk dienen "alle attributen die aanleiding geven tot arrogantie, tot aanmatiging, tot de wil om de eigen eigenschappen op de voorgrond te stellen" worden afgelegd. Sloterdijk: "Wie eenmaal door die enge poort is ingegaan, wordt ingelaten tot de tempel van de democratie."
Door de geschiedenis of het alomtegenwoordig, onontkoombaar heden (Finkielkraut) in te delen in een pre-hobbesiaans voorstadium van ongetemd geweld en in een hobbesiaans stadium van onderworpenheid aan democratie en rechtsstaat, deelt men de geschiedenis in naar eigen believen. Het is een wijze van indelen die liberaal en humanistisch geënsceneerd is, maar die bovendien een sterke gelijkenis vertoont met islamitische denkpatronen. Het hobbesiaanse spectrum werd gevormd door Hobbes' ervaringen tijdens de bloedige Engelse burgeroorlogen in de zeventiende eeuw. Het heeft als grondpremisse een wereld van wanorde en chaos, met daarin mensen die zichzelf en de ander tot wolf zijn. Sterker dan de vernietingsdrang is echter de drang tot zelfbehoud en veiligheid. Hiervoor hebben de burgers - de kleine leviathans - een staat in het leven geroepen: de grote Leviathan - de Staat - om daar elke soevereiniteit en geweldsbevoegdheid aan over te dragen. De twee onderling met elkaar samenhangende basiselementen van het hobbesiaanse spectrum zijn strijd en overheersing. De constante dreiging van geweld en burgeroorlog, die de menselijke natuur met zich meebrengt, roept in de evenzeer menselijke drang tot lijfsbehoud om een alomvattende, onontkoombare soeverein staatslichaam dat geen enkel zelfstandig, soeverein onderdeel in zich verdraagt. De ervaring van de burgeroorlogen in zijn eigen land brachten Thomas Hobbes bij zijn staatsleer die herontdekt werd in het chaotische Europa van het Interbellum door onder meer Carl Schmitt en Leo Strauss. De basisgedachte van overheersing en beheersing is tegelijkertijd een humanistische premisse. Het is Sloterdijk zelf die deze gedachte meerder malen heeft uitgewerkt, waaronder in zijn Regels voor het mensenpark. Hierin verbindt hij de notie van "temmen" met het humanisme waarin het lagere door het hogere werd getemd, door middel van brief, vriendschap en cultuur. Door zo overduidelijk in te zetten bij Hobbes ontlokt Sloterdijk vanzelf de vraag of hij zich hier niet ontpopt als een rasechte supra-humanist. Het antwoord op deze vraag heeft gevolgen voor de waardering van Nietzsche en Heidegger - twee filosofen in wier pad Sloterdijk zich wenst te begeven. De ontembare humaniseringsdrang van Sloterdijk werpt als het ware een ander licht op de verholen mensvisie van genoemde heren. Is er bij Sloterdijk misschien sprake van weerzin ten aanzien van de menselijke natuur? En doet dat hem, en anderen, tot steeds zwaardere middelen grijpen? Als het waar is wat Heidegger en Sloterdijk ontdekten, namelijk dat de brief of de vriendschap niet meer helpen om de bommen tegen te houden, moet dan het mes tevoorschijn worden getrokken?
Er valt er veel voor Sloterdijks scherpzinnige waarnemingen te zeggen, nog afgezien van zijn interpretatie ervan. De vraag blijft echter staan hoe het mogelijk is dat een natie die is gesticht door hen die de burgeroorlogen wilden ontvluchten - de Founding Fathers - zich konden onttrekken aan de historische noodzakelijkheid van de Staat (Hegel) - een waarheid die door Hobbes en zijn castratieleer was voorbereid. Duidt de politieke werkelijkheid van Amerika niet op de mogelijkheid dat er ook andere antwoorden zijn om het schrikbeeld van burgeroorlog te vermijden? En dat er andere antwoorden mogelijk zijn dan Hobbes en Hegel ons geschonken hebben? Sloterdijk laat zich pas echt van een zwakke zijde zien wanneer hij in het gesprek met Finkielkraut goedkoop teruggrijpt op het stereotype beeld van de Amerikaan als "gunfighter": "die dan ook goed politiek-psychologische redenen hebben om net als in een politieke western een rechtstreeks duel aan te gaan; dat zou een van de bepalende elementen kunnen zijn van de eindeloze wereldoorlog die we kunnen verwachten". Sloterdijk – en Finkielkraut gaat daarin met hem mee - schildert met zijn tegenstelling tussen de hobbesiaanse democratie versus de gunfighter-samenleving van de Amerikanen en de Arabieren echter een tegenstelling die ondeugdelijk is. De continuering van het pre-hobbesiaanse staatsmodel in het huidige Amerikaanse model zou noodzakelijkerwijs moeten impliceren dat het pre-hobbesiaanse Europa zou lijken op de Arabische wereld van nu. De door Sloterdijk opgevoerde “gunfighter” is echter een enkeling die zonder revolver uitstekend een manager of filosofenfunctie kan bekleden in de Sloterdijkiaanse maatschappij. De Amerikaanse werkelijkheid is anders dan dat Sloterdijk die schetst. Niet het primaat van het geweld voert daar de boventoon - ook niet verholen zoals in Sloterdijks angstpanorama's - maar de zelfredzame, weerbare en verantwoordelijke gemeenschapsmens. De klassieke republikeinse Amerikaan is juist gesmoord door het grove staatsgeweld van Abraham Lincoln met zijn absolute soevereine staatsmachtidee. Het is Lincoln geweest die de oorspronkelijke militia van burgers die zelf de wapens grepen om hun land en hun rechten te verdedigen heeft getransformeerd tot het concept massalegers in dienst van de Hegeliaanse Staatsmacht. Dat het pre-hobbesiaanse tijdperk in de Verenigde Staten nog niet geheel is afgesloten, doet daar niet zoveel aan af.
Blind staren
Sloterdijk en Finkielkraut staren zich – net zoals zovele niet-filosofische Europeanen – blind op geweld. Heeft niet juist de mobilisatie van het ontembare geleid tot vormen van castratie die nu ons Europa typeren? Wie echter de geschiedenis van het imperiale Engeland bestudeert zal er achter komen dat empire-building niet gaat zonder inzet van mensen en materieel uit de achtergebleven gebieden en achterstandswijken, maar dat dezelfde empire-building diezelfde reserves ook nog eens aantast en vernietigt. De hobbesiaanse maatschappij – zo leert ons het Engelse voorbeeld – castreert niet alleen met gedwongen afdracht van bevoegdheden door burgers, maar ook met behulp van militair en economisch imperialisme en als het ware met geweldsmobilisatie. Ook in het huidige Amerika zien we militair imperialisme en het opruimen van de pre-hobbesiaanse restanten hand in hand gaan. Dit alleen al plaatst op zijn minst enkele vraagtekens bij de al te makkelijke associatie door Sloterdijk van hobbesianisme met geweldloze democratie. Deze vraagtekens worden voor mij versterkt na het (her)lezen van een artikel van Arend Jan Boekestijn uit 2003, waarin hij in Trouw stelde: “Amerika is de enig overgebleven grote mogendheid die zich bevindt in een hobbesiaanse wereld vol gevaren die niet afdoende kunnen worden bestreden door internationaal recht.”. Boekestijn verbond in zijn artikel in feite de Amerikaanse hobbesiaanse politiek met de temmingsdrang richting de Arabische culturen om deze democratie, vrijheid en vrije handel op te leggen – om te castreren zouden Sloterdijk en Finkielkraut moeten toevoegen. Wie aan dit inzicht het volgende toevoegt, namelijk dat Amerikaanse neo-conservatieven zich nadrukkelijk hebben gedistantieerd van de hayekiaanse angst voor een grote staat, dan worden de barsten in het betoog van de genoemde Europese gerenommeerde denkers al snel zichtbaar.
Het beeld van een Amerika dat nog is blijven steken in de pre-hobbesiaanse primitiviteit wringt dus nogal. We noemden al het feit dat "Amerika" ook een zogenaamde "oplossing" bleek te zijn voor de burgeroorlog in Engeland. De vergelijking met de Arabieren gaat echter op een ander punt mank: het al eerder genoemde punt van de basiselementen strijd en overheersing i.c. beheersing. Wie de islam goed bekijkt ziet namelijk beide elementen - die zo inherent zijn aan humanisme en liberalisme (ook volgens Sloterdijk!) - overduidelijk aanwezig in alle lagen van deze godsdienst. Het voert in het kader van dit artikel te ver om hier op door te gaan, maar hier toont Sloterdijk zich de filosoof die delibereert tegen beter weten in. En de vraag rijst tegelijkertijd of de werkelijkheid van oorlog en dreiging dan verdwenen is onder het hobbesiaanse staatsmodel? Het is alsof Sloterdijk, en met hem Finkielkraut, ons wil zeggen: waar Hobbes zijn werk heeft gedaan is er een nieuwe mens ontstaan die in en door zijn castratie andere vormen van oorlog zich democratisch heeft toegeëigend. De religieusprotestantse ondertoon in de woorden van beide heren doen ons huiveren. In zoverre deze filosofen een beeld schetsen van onze Westerse cultuur, lijken de constateringen van - met name - Sloterdijk deels juist; maar het lijkt tegelijkertijd de beschrijving van een uit de hand gelopen experiment van het christendom. En de advocaten van de duivel zullen deze klus wel afmaken.
De reserves die maar niet snel genoeg opraken...
De Duitse filosoof gooit hier zijn eigen glazen in. Het is namelijk Sloterdijk zelf die in Euro-taoïsme de aandacht heeft gevestigd op de zogenaamde "reserves". Hierbij sloot hij aan bij eenzelfde basisgedachte van zijn leermeester Dieter Claessens die in Das Konkrete und das Abstrakte spreekt over de "conservatieve reserves" van onze cultuur, die door Matthias E. Storme alsvolgt worden toegelicht: “Wanneer wij de cultuur deconstrueren omdat we er individueel de zin niet meer van begrijpen, dan werpen wij wijsheid weg, niet van jaren, niet van eeuwen, maar van millennia. Millennia-oude menselijke ervaringen hebben een neerslag gevonden in de religie, gebruiken, verwantschapsstructuren, waarden, en feesten, elementen van telkens particuliere tradities, overgeleverd van generatie op generatie, in alles wat de moderne mens sinds de Verlichting als bijgeloof uit de weg probeert te ruimen.” Hoe kan Sloterdijk dit met elkaar rijmen, om enerzijds de vinger leggen bij deze zere plek: het uitputten en opteren van de culturele en ecologische reserves, en ondertussen - tussen de inzichten door - een totalitair heers- en tem-model op de overgebleven reserves los te laten? Is bij hem de angst uiteindelijk toch sterker dan het filosofische inzicht?
Het mes van de angst
Het zal ook Sloterdijk genoegzaam bekend zijn dat Hobbes zijn absolute staatssoevereiniteit niet alleen van toepassing achtte inzake het geweldsmonopolie, maar ook op zogenaamde absolute rechten en autonome en onlosmakelijke verbanden. Hobbes' castratiedrang stopte niet bij het voorkomen van burgeroorlog sec. Wat Hobbes deed was een mobilisatie van de algemene Staatsangst: de angst van machthebbers en belangenbezitters voor verlies van orde, gezag en macht. Daarbij was hij bereid alle grenzen te trotseren: kerk, gilde, eigendom, etc. Grenzen die in onze cultuur allang ten prooi zijn gevallen aan de castratiedrang van hen die zich staatsman of filosoof noemen. Hobbes wist van deze ene zwakke plek: het mes van de angst doet vele mensen besluiten zich te laten castreren door de Staat. En het zijn met name de mannelijke attributen die ten dienste van de veiligheid moeten worden weggesneden: onvervreemdbare rechten, bezit van vrouw en kinderen, onvervreemdbaar bezit, etc. Maar angst doet vreemde sprongen maken.
In de Trouw van 29 oktober j.l. verscheen een interessante uiteenzetting over het fenomeen angst in Het dubbele gezicht van de angst van de hand van wijsgeer-psychiater Gerrit Glas. Glas spreekt over de traditionele angst die van buiten komt en daarom definieerbaar is, en over de angst die van binnen komt en diffuus en globaal van karakter is: “Met de onbeheersbaarheid komen we dichter bij de kern. Angst voor terreur past niet in het patroon van traditionele gevaren zoals ziekte, verlies van een geliefde, ongelukken of natuurrampen. De angst daarvoor is definieerbaar en min of meer afgrensbaar. Hij komt bovendien van buiten; het is rampspoed die ons overkomt. Die factoren gelden niet voor een aantal typisch moderne gevaren: ecologische rampen, financiële crises en ook terreur. Dergelijke rampspoed komt niet van buiten maar van binnen.” Verder wijst de schrijver op het tekortschietende van het staatsingrijpen dat zelfs het probleem aanzwengelt en versnelt: “De toename van controle werkt niet alleen geruststellend, maar bevestigt dat we vreemden ten opzichte van elkaar zijn en dat we elkaar niet meer kunnen vertrouwen.” Spreekt de filosoof Glas over de onbestemde ondefinieerbare angst; Finkielkraut maakt het in feite erger door te wijzen op de onbestemdheid van de ander die “niet altijd onschuldig is”. Het is daarom een gevaarlijk filosofisch spel dat genoemde twee heren spelen. Want het als het ware "op alles voorbereid zijn" van Finkielkraut naar buiten toe en het als het ware "alle ellende zien te voorkomen" naar binnen toe van Sloterdijk vormen tezamen een dodelijke combinatie voor al die culturele en andere reserves die er nog resteren. De aangepaste en gecastreerde, ongevaarlijke mens kan immers slechts rustig leven als alle externe gevaren of geëlimineerd zijn of geneutraliseerd zijn?
Nog een mes
Dat het hobbesiaanse castratiemechanisme geen barrières kent, illustreerde enige tijd terug Ariadne van Schirach in Der Spiegel. Deze Berlijnse journaliste en studente filosofie schilderde in dit Duitse opinieweekblad één van de successen van de castratiecultuur: de moderne man. In het artikel "From Pornography to Withdrawal" tekent ze het beeld van de man die door de pornografisering vervreemd dreigt te raken van het bestaan en van de vrouw en daardoor basale mannelijke eigenschappen aan het verliezen is: "The more pornographic our society becomes, the more it loses interest in procreation. As a result of the constant onslaught of stimuli, female desire in particular is faced with irreconcilable paradoxes. And men leave the role of the hunter to women." De feitelijke impotentie, en het uit handen geven van het seksuele initiatief duiden het toekomstscenario van de moderne gecastreerde man die de laatste rest mannelijk legitiem geweld uit handen heeft gegeven. Ariadne von Schirach stipt in haar artikel enkele woorden aan van de Franse schrijver Michel Houellebecq die in The Possibility of an Island, schreef dat “the consistent pursuit of individuality must inevitably lead to the death of love, to a state in which we will be so in love with ourselves that we will no longer be capable of loving anyone else.” En Von Schirach vraagt zich dan ook af: “Is dit waar? Zijn we die geharde hedonisten geworden waar onze grootouders, de paus en de Frankfurter Schule ons zo tegen hebben gewaarschuwd?”
Maar we moeten zelf het gezond verstand ter hand nemen. Want wie de ideeën van Sloterdijk en Finkielkraut tot zich door laat dringen met de illustraties van onder meer Ariadne von Schirach en Gerrit Glas, ziet het beeld ontstaan van de hobbesiaans gecastreerde man die weliswaar hard en gepantserd van buiten is om zich te onttrekken aan alle werkelijke tegenslagen, maar die bovendien leeg van binnen is en zodoende immuun is voor elk onbestemd “gevaar”. De prijs die hij daarvoor moet betalen is dat hij voortdurend stimuli nodig heeft om hem zijn falen en ontmannelijking te doen vergeten en hem te behoeden voor de totale vervreemding van de werkelijkheid die er nog over is. Brandende auto's en Parijse nachten hebben tijdenlang gehuist in de harten van onze "leiders" en "denkers". Nu de denkbeeldige huizen en auto's ook daadwerkelijk in vlammen opgaan, komt het mes op tafel. Waar in oude tijden gesnedenen werden geweerd uit de tempel; in de tempel van de democratie huizen alleen gesnedenen: gepantserd van buiten, leeg van binnen en impotent van onderen.
Als dit het integratiescenario is waar de talloze op drift geraakte jongeren van Arabische, Afrikaanse en islamitische afkomst mee geconfronteerd zullen worden, dan moeten we ons afvragen of het niet wenselijker is om tijdelijk het risico van brandende auto’s voor lief te nemen en ondertussen na te denken over andere “oplossingen” dan die van Sloterdijk en Finkielkraut. Oplossingen die niet de rekening zullen afwentelen op burgers van goede wil, omdat de afgelopen decennia de Europese politici en filosofen van buiten weliswaar glad en gepantserd leken, maar van binnen leeg, angstig en ontredderd blijken te zijn. Daar kan alle eruditie en welbespraaktheid van de wereld niets aan veranderen. Daar zullen op den duur de burgers zelf het gezond verstand ter hand moeten nemen en dient men hun "leiders" en "denkers" maar aan de kant zetten. Als men tenminste zelf niet slachtoffer wil worden van het "mes".
Literatuur
* Arend Jan Boekestijn, “Met Thucydides op oorlogspad”, in Trouw d.d. 22 maart 2003
* Dieter Claessens, Das Konkrete und das Abstrakte – Sociologische Skizzen zur Anthropologie, Frankfurt 1980, waarin Claessens de conservatieve reserves alsvolgt definieert: “Die Masse derjenigen kulturellen Standards, die Verhalten insgesamt absichterten und die in traditionneller Weise angesammelt wurden, wie Werte, Normen, "Institutionen", Sitten, Braeuche, religiöse und culturelle Tagesverhaltensweisen, die sich den archaisch-evolutionären Möglichkeiten angelagert haben.”
* Alain Finkielkraut en Peter Sloterdijk, De hartslag van de wereld, Amsterdam 2005
* Gerrit Glas, "Het dubbele gezicht van de angst", in Trouw d.d. 29 oktober
* Thomas Hobbes, Leviathan, Amsterdam 2002
* Irving Kristol, “The Neoconservative Persuasion”, in The Weekly Standard d.d. 25 augustus 2003
* Ariadne von Schirach, "From Pornography to Withdrawal", in Der Spiegel d.d. 28/10/2005
* Peter Sloterdijk, Regels voor het mensenpark - Kroniek van een debat, Amsterdam 2000, 2e druk
* Matthias E. Storme, GEWORTELD EN GELAAGD op bitterlemon.eu
Lees verder...
Labels:
filosofie,
wapenbezit
Abonneren op:
Posts (Atom)