donderdag 19 juni 2008

JETZT GEHTS LOS!

Van Rinus Michels is de bekende maximen "Voetbal is oorlog". Ja, voetbal is een nimmer eindigende oorlog. Het Europese Kampioenschap 2008 in Oostenrijk en Zwitserland mag voor Nederland tot nu toe glansrijk verlopen, de uitkomst staat al vast: na het EK gaat de voetbaloorlog verder. Ook dan is het "Jetzt gehts los!" met de voortgaande temming van de massa en het kneden van de ontwortelde en karikaturale wereldburger. Onderstaand essay is een bewerking van een eerder essay dat in 2006 naar aanleiding van het WK is geschreven en voor de EK 2008 enigszins is aangevuld en omgewerkt.

Het lijkt alsof elk EK of WK weer oude records gebroken gaan worden. Kan er nog massaler worden gekeken? Nog massaler worden vercommercialiseerd? Ongeacht de uitslag van dit EK weten we nu al dat elk einde van een voetbaltoernooi slechts een voorlopig einde is van het voorlopige hoogtepunt van de voetbalgekte in ons land, want het spelletje gaat door. En het gaat niet alleen door, maar zal een volgende keer nog waanzinniger zijn. En nu is het al waanzinnig. Scholen die niet met de Oranjegekte meedoen, riskeren haat- en dreigmails. Nu gaan de ministers er nog naartoe, maar wat als Willem-Alexander koning wordt? Zit dan het koningshuis langs de lijn? Worden er dan net als met Koninginnedag ook travestietenshows gehouden? Wat betreft dit laatste: zo onwaarschijnlijk is dit niet. Althans niet voor wie de foto's heeft gezien met hossende Nederlandse mannen in Bern met grote oranje soepjurken aan, met z'n allen in de polonaise. Wat heeft dit met voetbal te maken? Niets. Evenals het feit van de trouwdag van Rafael van der Vaart waarop deze dertig rozen aan zijn vrouw gaf tijdens het verblijf in Bern - alle vrouwen en kinderen blijken mee te zijn afgereisd naar Zwitserland. Of het feit dat ze de nacht daarna de slaapkamer met elkaar deelden. Zelfs op het ANP-nieuws werd hiervan mededeling gedaan. De jurk, het kapsel van Sylvie Meis (want zo heet de vrouw van Rafael) - alles doet ertoe tijdens deze EK. Miljoenen mensen zitten aan de buis en nemen zo deel aan dit zogenaamd onschuldige spelletje. Of lezen de enorme stroom van EK-artikelen in gratis kranten. Of beluisteren alles op de radio tijdens het werk. De massaliteit van dit gebeuren is historisch gezien ongekend. Evenals datgene waar dit alles mee gepaard gaat: de enorme persiflage op symbolen, vlaggen, liederen, riten en symbolen waaronder dat van de natie.

Want in tegenstelling tot wat menigeen denkt, is voetbal niet nationalistisch, maar is integendeel een antipatriottistisch spel. De onzinnigheid van het gebeuren toont zich in de inwisselbaarheid van spelers en - bij verlies van het eigen landsteam - zelfs die van landenteams. Want verliest Nederland, dan stappen sommige Nederlanders qua sympathie over naar een land als Duitsland omdat ze een hekel hebben aan Frankrijk, of andersom. Net zoals sommige Zwitsers nu opeens supporter van Nederland zijn. De persiflage op vaderlandsliefde en op historische symbolen is het duidelijkst te zien in het fenomeen "oranjegekte". Stond oranje voorheen als symbool voor koningshuis, de geschiedenis van ons land, de vrijheidsstrijd en onze nationale trots, tegenwoordig staat Oranje voor oranjetompouces, oranje veder- en Stahlhelmen en een oranje landbouwdekzeil om je huis tijdens een EK mee in te draperen.

Een onschuldig spelletje?

Wie voetbal, interlands en kampioenschappen voor ogen heeft, live of via de televisie, ontkomt niet aan de beelden van de primaire reacties van het publiek. Het schouwspel van uitzinnig uit het dak gaan bij een doelpunt, de frustraties na het verlies, de vele liters bier, het scanderen van leuzen, het rauwe gezang en de onstuimige kameraadschap dat wordt gecombineerd met een volstrekt schaamteloos uitventen van datgene dat nog als "volkscultuur" wordt bestempeld. Het is niet vreemd dat dit bij de oppervlakkige, moralistische geest tot de constatering leidt dat voetbal het beest in de man losmaakt. Historisch gezien is er iets te zeggen voor deze constatering. Het ontstaan van de massale evenementen van toeschouwers in stadions is namelijk niet los te zien van de spektakels in het Romeinse Rijk. Berucht is nog steeds het adagium van Juvenalis om het volk "brood en spelen" te geven. Het plebs moest tevreden worden gesteld. En meer dan dat: al snel ontwikkelden de Romeinse keizers de techniek om massa-sport te gebruiken voor de toepassing van het verdeel en heersprincipe. Door kunstmatige supporterskampen te creëren, deze tegen elkaar uit te spelen door de een willekeurig te bevoordelen boven de ander, hield men de massa - het plebs - bezig en hield men het ook onder de duim.

De Engelse historicus en socioloog Eric Hobsbawm beschrijft hoe de Britse elite vormen van massavermaak introduceerde als nieuwe vormen van traditie [1]. In de essaybundel - met de veelzeggende titel - The Invention of Tradition plaatst hij het fenomeen massa-sport in het kader van een tijd waarin begrippen als natie en imperium geconstrueerd en ingevuld werden door de politieke en culturele elite. Hobsbawm zelf gebruikt dan ook niet voor niets de term Mass-Producing Traditions. Door kunstmatige onderscheidingen tussen klassen, politieke controle door de elite en manipulatie door de commercie, was er in de negentiende eeuw - het era waarin massasport tot ontwikkeling kwam en groei kwam - een onmiskenbaar verband tussen de opkomst van nationalisme en de opkomst van sportevenementen en -organisaties. En wie naar historische voorbeelden kijkt, kan niet ontkennen dat er een sterk verband bestaat tussen nationaal bewustzijn en sportieve massacultuur. Niet alleen in totalitaire staten als het Hitler-Duitsland, de voormalige Oostbloklanden of de Volksrepubliek China, maar ook in niet-dictatoriale landen als Italië, Duitsland en de Verenigde Staten is er een sterk verband te constateren tussen het bewustzijn van de massa en de deelname aan massa-evenenementen. De kunstmatigheid van het fenomeen massasport - in het bijzonder een Europees Kampioenschap Voetbal 2008 - is evident. Het zogenaamde nationalisme van events als een EK is een voorportaal van globalisering, zij het één die wordt voorgesteld als terugkeer naar nationalisme [2]. EK en WK kweken een houding bij de voetballiefhebber (zowat de ganse bevolking) om in elke Braziliaan of Kameroenees een mede-wereldburger te zien. De oranje vlag bestrijkt met een EK de gehele wereld, net zoals een Poolse tweekleur ook Brazilië lijkt te bestrijken... Maar is het alleen het kunstmatig opgeklopt vaderlandslievend sentiment dat ons tegenstaat? Is het de enige zonde van de massa-sport dat ze het nationalisme - zelf een kunstmatige negentiende-eeuwse uitvinding pur sang - versterkt? Met andere woorden: zit het verwerpelijke alleen in de in-dienst-staan-van iets laakbaars, namelijk nationalisme? Of betreft het verwerpelijke ook iets inherents dat verweven is met het fenomeen massa-sport?

Remming en ontremming

De Duitse filosoof Peter Sloterdijk wijst in zijn essay Regels voor het mensenpark niet alleen op de oorsprong van het fenomeen sportief massa-spektakel in het Klassieke Rome, maar legt eveneens de relatie bloot tussen "bestialiserende" massa-evenementen en het "humanisme" dat dit bestialiserende juist wilde tegengaan [3]. Sloterdijk gebruikt voor deze tegenstelling de termen "remming" en "ontremming". Het humanisme wilde het beest in de mens temmen door cultivering en/of ascese. Het imperialisme wil(de) de massa tot massa maken: onschadelijk en bruikbaar voor machtspolitieke doelen van consoliderende en imperiale aard. Het beheersen van de menigte is niet alleen het beheersen van de massa's, maar is ook het voortdurende creëren van de massa als massa. Iemand die dit heeft ingezien is Elias Canetti. In zijn standaardwerk over de massa Masse und Macht reikt hij enkele "beginselen" aan die volgens hem bepalend zijn voor elke "massa". Deze kenmerken zijn volgens Canetti als volgt: 1) De massa wil voortdurend groeien; 2) Binnen de massa heerst gelijkheid; 3) De massa houdt van drukte van de menigte (Canetti: "Dichte"); en 4) De massa heeft een richting nodig. [4]

Canetti's bepalingen zijn bruikbaar bij het leren zien van de massa als instrument van politieke en culture aard. De drang tot toename komt overeen met het imperiale karakter van de massa waar Sloterdijk op doelt in zijn notie van "remming en ontremming". Het imperiale principe is niet alleen toepasbaar op het kwantitatieve, maar ook op het kenmerk van gelijkheid: de massa leeft bij de aangenomen gelijkheid om dezelfde gelijkheid ook te bewerkstelligen. Want de massa verdraagt niets "er tussenin". De verdichting is noodzakelijk om het moment van ontlading te bereiken; het moment waarin alles wat tussen het doel en de massa staat "wegvalt". Met het doel wordt het immer voortschrijdende doel bedoeld dat als het ware meegroeit met de massa en zo voortdurend haar imperiale, hongerige en nooit tevreden geest voedt. Deze bevindingen zijn van toepassing op dat wat er gebeurt in een voetbalstadion tijdens een voetbalwedstrijd (of een soortelijke gebeurtenis van sportieven of zelfs muzikale aard). Hoe groter de stadions des te imposanter deze worden ervaren. Hoe meer kijkers er kijken, hoe groter de betovering in en door de media. Wordt er een doelpunt gescoord dan "valt alles weg"; de emotie bindt samen en creëert een gevoel van totale saamhorigheid - gelijkheid. Het doel van het samenzijn is weliswaar duidelijk, maar schuift voortdurend op richting een eindeloos uitdijend en repeterend gebeuren. De massa doet met zichzelf wat machthebbers met dwangmiddelen nauwelijks kunnen: extatische gelijkschakeling bewerkstelligen.

Massa en elite

De moderne imperiale elite heeft de massa dan ook nodig voor zichzelf. De massa is nodig om dingen weg te laten vallen; in het radicaal individualiserend karakter van de massa doen andere verbanden er immers niet meer toe? Zo wordt de voorheen onlosmakelijke tot inwisselbare "eigenschap". De massa is echter bruikbaar om de massa zonder eigenschappen een nieuwe of andere identiteit te verschaffen. Verder mobiliseert de massa de mensen en verwijdert ze zo van hun oorspronkelijke ondergrond en omgeving die een hindernis vormen voor de in gang gezette dynamische en imperiale processen van politieke, culturele en economische aard. Dezelfde processen die zijn waar te nemen bij de massa, zijn van toepassing op de elite zelf. Dynamisch, mobiel en ontworteld, "profiteert" de elite van dezelfde eigenschappen als die de massa bezit. De nieuwe identiteit die de massa de mensen schenkt, kent andere verplichtingen dan de oude identiteit dat deed (en kent soms in het geheel geen verplichtingen vanuit de elite naar de massa toe). Wanneer de massa bijvoorbeeld tot onredelijke eisen komt voor meer welvaart en welzijn, krijgt de elite de bevoegdheid in handen om deze onredelijke eisen te kunnen beantwoorden met buitenproportionele en (voorheen illegitieme) machtsmiddelen die de elite in staat stelt de eigen positie veilig te stellen en te versterken. En waar een massa mobiel is en zelf haar "cultuur" en "moraal" bepaalt, vervalt de aloude verplichting van de oude elite om net als het volk lokaal en traditioneel gebonden te zijn aan plaats, traditie en gewoonte. De handen zijn vrij om bezit en kapitaal vrij te maken van grond, plaats en concrete verbanden als volk en gemeenschap. Hindernissen als moraal zijn dan geen sta-in-de-weg meer voor het vermeerderen van rijkdom en kapitaal.

Het ultieme ideaal van de moderne elite is dat de massa de principes incorporeert die de elite versterken en het volk verzwakken, maar als massa de illusie van macht en voldoening schenken. Deze principes zijn die van gelijkheid, ontplooiing, welvaartsgroei, mobiliteit en "vrijheid". Waarom staan deze principes voor "verzwakking"? Hierom: gelijke mensen zijn mensen zonder klassieke onvervreemdbare rechten die ze zouden onderscheiden van andere mensen. Mobiliteit en vrijheid bepalen de inzetbaarheid in het kader van economische processen. Welvaartsgroei verblindt de massa voor de gevolgen van haar wensen en haar handelen op het gebied van milieu en sociale relaties. Het principe ontplooiing maakt de massa los van natuurlijke verbanden en verplichtingen en ook los van de eigen natuurlijke identiteit (zoals die van man en vrouw) om zo nog meer als pure potentie de dynamiek van de moderniteit te versterken. Ontworteld van binnen en van buiten, zonder onlosmakelijke rechten en verbanden, zonder historie van plaats en tijd, zonder belangeloze persoonlijkheidscomponent is de massa de perfecte speelbal voor de elite die het spel beheerst en de middelen bezit om er wèl beter van te worden. Voor een topmanager is het voordelig en goed voor de carrière om makkelijk los te komen van een bedrijf en de verantwoordelijkheden van de vorige functie; voor de fabrieksarbeider is ditzelfde perspectief een rampscenario. Maar als onderdeel van de massa is de arbeider willoos en verblind. Partijen, vakbonden en amusementsindustrieën bepalen wat hij denkt, doet en vindt. Voor de elite is de juichende massa tijdens WK 2006 een hoopgevend spektakel.

Beest en geest

Massa-spektakels en massa-amusement doen iets met de mens: het roept het beest op, voeden het, temmen het en exploiteren het daarna ten behoeven van "hogere" doeleinden. De al eerder genoemde Sloterdijk laat in zijn Regels voor het mensenpark zien dat remming en ontremming - bestialisering en humanisering - niet louter elkaars tegenpolen zijn, maar elkaar veronderstellen en elkaar nodig hebben. De humanistische idee van de temming van het beest in de mens veronderstelt niet alleen het beest in de mens, maar ook de mens als beest. Maar ook het bestialiserende gebruikt - weliswaar willekeurige en voor machtspolitieke doeleinden - "regels", discipline en begrenzing van het opgeroepen massa-spektakel. Het is niet de bedoeling het stadion af te breken, maar om de agressie te kanaliseren. Het feit dat Sloterdijk hiervoor teruggrijpt op de praktijk in het oude Rome is opmerkelijk. Waarom gebruikt Sloterdijk niet het beeld van het Germanendom als typering van het "barbaarse" c.q. "beestachtige" in de mens? Sloterdijk spreekt zelfs over "het fascisme" als "ultieme synthese van remming en ontremming". Waarom plaatst hij dit nazistische element in een Klassieke omgeving van stadions, maar ook van humanisme? Sloterdijk tast dieper. Hij toont de januskop van de mens die niet alleen ontremd beest is of kan zijn, maar ook een "geremd beest": een verlichte humanist. Dat hij hiervoor teruggrijpt op het Klassieke Rome is historisch gezien niet zo vreemd.

Ook iemand als de Deens-Amerikaanse historicus David Gress maakt in zijn studie From Plato to Nato soortgelijke opmerkingen, wanneer hij stelt dat iemand als Hitler maar weinig op had met de echte, historische Germanen, maar des te meer met de oude Grieken en Romeinen [5]. De Nazi's stonden ambivalent tegenover het Germanendom, juist vanwege de barbaarse reputatie. Hitler sprak volgens Gress niet voor niets over "de Grieken en de Romeinen" als de "ware Germanen" wier nalatenschap werd gerepresenteerd door het nieuwe Germania. Voor wie de architektuur van de Nazi's bekijkt en de spektakels in Neurenberg voor ogen stelt, ziet hierin ook maar bar weinig "Germaanse" Germanen, maar heel veel Romeinse c.q. Griekse "Germanen". Zo bezien is het tijdperk van de Verlichting en de Revolutie niet alleen de ontdekking van de autonome rede, maar ook van de autonome massa. Deze indruk wordt versterkt door de taferelen tijdens de Franse Revolutie. De hoge vlucht van de autonome menselijke rede ging toen gepaard met het gestuurde beestachtigheid van de massa's. Waren deze massa's oorspronkelijk nog koningsgezind en gingen de ze Bastille te lijf met de leuze "Vive le roi!". Door sturing en manipulatie veranderde dit snel. In de bloedorgie van onthoofdingen, afslachtingen en kannibalisme werd de massa tot instrument van de volkswil: massa's gedrilde voorheen opstandige "burgers" werden getransformeerd tot kanonnenvlees dat op de slagvelden van Austerlitz, Rusland en Waterloo kon worden geofferd aan de Glorie van Frankrijk.

Massa-sport als vijand

Massa-sport is een fenomeen dat zich vooral richt op de man en op zijn driften. Daarmee richt massa-sport zich op de verzwakking van de man als drager van de orde die oorspronkelijk geen weet had - en wilde hebben - van massa-spektakels als een EK-voetal. Een massa-spektakel als een EK-voetbal is dan ook minder onschuldig als het lijkt. Het is een middel van de elite om een volk te transformeren in een willoze massa, d.i. een massa die haar "volkswil" identificeert met de abstracties en banaliteiten die haar worden aangereikt. In haar massaliteit leidt dit tot versterking van direct-driftmatige, en via de anonimiteit, massaliteit en ongeadresseerdheid van haar acties leidt dit tot verzwakking van het typisch mannelijke. Want de mannelijke geest vat deze zaken als onnatuurlijk op. De man is namelijk van nature niet gewoon en niet geneigd om zich te bewegen in een massa anonieme mede-mannen, maar is gewoon om zich of solitair, of in een kleine groep van te vertrouwen en bekende medestrijders of mede-boeren of -jagers te jagen op steppen en savannes, te ploegen op het land of te strijden tegen een vijand.

Het dresseren van het beest en het naar buiten richten in de massa verwekelijkt de man, stompt zijn zinnen af en heft zijn gelaagdheid, verworteldheid en verhevenheid op. Het maakt hem een speelbal voor de "verheven" doelstellingen van de elite. Het maakt van pseudo-nationalisten al gauw "wereldburgers" die deelnemen aan de riten en symbolen van de wereldgemeenschap. Het leert de massa om het typisch mannelijke te identificeren als "beestachtigheid", "uitzinnigheid" en "niet ter zake doende kunstmatigheid". De verlichtingsdressuur van het massa-spektakel verleert het volk het onlosmakelijke verband tussen de mannelijke natuur en de verheven orde van onze beschaving. Verlichting en beestachtig uit je dak gaan, gaan hand in hand. Onze tijd laat dit volop zien. Het fenomeen EK-voetbal is een leermoment voor wie spuugt op het verlichtingsmodel waar gezonde, natuurlijke en warmbloedige mannen ondergeschikt aan zijn gemaakt. "Jetzt gehts los!" met de verdergaande afbraak van de Europese beschaving en de verdierlijking/ verlichting van de mens.

Noten

[1] Eric Hobsbawm: "Mass-Producing Traditions: Europe 1870-1914", in Eric Hobsbawm & Terence Ranger (Ed.), The Invention of Tradition, Cambridge 2005. Twee andere voorbeelden van "uitgevonden traditie" zijn 1) Koninginnedag; een liberaal feest, ingesteld in de 19e eeuw om het volksvermaak te verheffen, in banen te leiden en het volk weg te houden bij plat volksvermaak, en 2) kerkdiensten op tweede feestdagen, ingesteld door protestanten om het volk uit café's weg te houden. Het tweede voorbeeld is van enkele eeuwen eerder, maar laat zien dat liberalisme c.q. protestantisme beide het volk via aangeboden "alternatieven" wilde "ontvolksen". Dat beide pogingen om het volk burgermansfatsoen bij te brengen zijn uitgelopen op manifestaties van massa-nihilisme toont slechts aan dat kunstmatige temming van het volk, dit volk tot "massa" reduceert en in deze "massa" het potentiële ongeremde losmaakt in een spel van remming en ontremming. Het resultaat: een steeds uitzinniger massa die op "normale tijden" meer en meer staatsonderhorig gedrag vertoont.

[2] Daarmee zit ik op een ander spoor dan bijvoorbeeld Michael Paulwitz, "Laßt die Fahnen draußen!", in Junge Freiheit d.d. 6 juni 2008, die in een EK iets verhevens ontwaart: "Fußballmeisterschaft und Olympia. Selten zeigen wir so unbeschwert daß wir mit Freude einde nation sind."

[3] Peter Sloterdijk, Regels voor het mensenpark - Kroniek van een debat, Amsterdam 2000.

[4] Elias Canetti, Masse und Macht, Frankfurt am Main 1981, p. 26.

[5] David Gress, From Plato to Nato - The Idea of the West and its Opponents, New York 1998, p. 200.

Lees verder...

zaterdag 7 juni 2008

SCHAAMTELOOS ABNORMAAL

Enige weken geleden was er in België enige ophef over een overheidscampagne waarin op een radicale wijze werd gepleit voor tolerantie naar holebi's toe. Behalve dat deze campagne op een niet mis te verstane wijze duidelijk werd gemaakt dat de schaamteloosheid zegeviert, dienen we bij een ander punt stil te staan. Om de normaliteit die met dit soort campagnes wordt aangevallen te behouden, zullen we in staat dienen te zijn het mechanisme van de moderniteit te verstaan.

Met de Belgische overheidscampagne 'F*ck holebi's en hetero's – Ik ben Tolero' wordt er een nieuw paradigma zichtbaar: dat van schaamteloosheid en politieke correctheid. De grofheid waarmee de huidige overheden op deze wijze haar politiekcorrecte program aan de bevolking op wil leggen, confronteert onze cultuur met grote problemen. Want is het nog mogelijk kinderen op te voeden in een tijd waarin alles wat afwijkt van het normale openlijk ten toon wordt gespreid? Tal van ontwikkelingen maken dat deze vraag steeds moeilijker met “ja” kan worden beantwoord. Als kers op de slagroomtaart was er de afgelopen tijd in België dus de affaire rond de Holebi-voorlichtingscampagne van minister Kathleen van Brempt. Met grof verbaal en politiek geweld worden opvoeding en onderwijs op het slagveld geworpen waarop alles mag blijven leven, behalve de normaliteit. Eén van de breekijzers die de huidige revolutionairen toepassen om het goede leven te vermorzelen, is de zogenaamde homo-emancipatie. Op Europees en nationaal niveau lijkt onze beschaving volgens hen zelfs te vallen of te staan met de emancipatie van de zogenaamde beoefenaars van de gelijkslachtige liefde. De haast magische termen die in het beschavingsoffensief van de Holebi-activisten worden gebruikt, zijn termen als “bewustwording”, “bespreekbaarheid”, “emancipatie” en “het uit de taboesfeer halen”.

Nu, in de media en op de academies is hen dit goed gelukt. In reclame op de TV of in de bioscoop, in jongerenmagazines en op populaire radiostations is er een constante toon te horen waarin Holebi als volstrekt aanvaardbaar wordt gepresenteerd en waarin andere opvattingen òf worden genegeerd òf worden geridiculiseerd. Maar het is niet genoeg. Ook opvoeding en onderwijs moeten worden bestookt met Holebi-campagnes. Het is straks nagenoeg onmogelijk zich te onttrekken aan de aanhoudende boodschap van politiekcorrecte ideeën. En dat is een ernstige zaak. De cultuur van schaamteloosheid betreft straks niet alleen de buitenwereld van politiek, cultuur en media, maar is, voor zover ze het nog niet is, straks ook onderdeel van de binnenwereld van school en gezin. Ouders zullen zich gedwongen voelen zelf ook dingen bespreekbaar te maken. Afgezien van de vraag in hoeverre de meeste ouders zijn toegerust om deze concurrentie met leraren en overheidsvoorlichters aan te gaan, gaat de ernst van de zaak verder en dieper dan de vraag of er voldoende tegenargumenten voorhanden zijn, en zo ja, of ouders in staat zullen zijn deze argumenten te kennen en te gebruiken. Het gevaar reikt dieper, namelijk in de bespreekbaarheid op zich. Normaliteit is namelijk onverenigbaar met een cultuur van onthulling en van radicale bespreekbaarheid van alle zaken die in normale gevallen tot de gezonde taboesfeer behoren. Bespreekbaarheid is een valkuil die men slechts kan ontwijken door te zwijgen en te verzwijgen. Want in weerwil tot wat politiekcorrecten zeggen, is zwijgen niet alleen een deugd, maar een stille getuige van het normale en goede leven dat zelf dient te spreken tot kinderen, tot iedereen.

De ouden

De ouden wisten het: van jongs af aan moeten alle dingen die het leven bepalen eenzelfde taal spreken: die van de orde, de bloedverwantschap, het geloof, de natuur, het goede leven en de gemeenschap. Om het gezonde en goede te laten innestelen in de psychologie van mensen is het niet alleen nodig om goede dingen tot spreken te wekken, maar is het ook nodig om spelbrekers, verstoorders, ziekmakers en twijfelzaaiers uit te bannen – of in ieder geval het zwijgen op te leggen of te verzwijgen. Mensen moeten namelijk van jongs af aan leren dat dingen zijn zoals ze zijn en hun eigen plek hebben omdat de orde zo in elkaar steekt en niet omdat men door overleg, discussie, opinievorming, soebatten en debatten tot een bepaalde conclusie is gekomen. Maar dit moge duidelijk zijn: de norm is de werkelijkheid, omdat de norm aan de werkelijkheid ontspruit en niet door mensen wordt geformuleerd. Alles wat van de norm afwijkt, er tegenin gaat of deze zelfs ontkent, valt natuurlijk niet als verschijnsel te ontkennen, maar daarmee is nog niet gezegd dat alles wat zich voordoet – alles wat afwijkt – ook moet worden gepresenteerd aan onze kinderen, van jongs af aan. Want elke confrontatie heeft zijn eigen levensperiode. De confrontatie met de eigen seksualiteit heeft de periode van de ontluikende volwassenheid: de puberteit. De confrontatie met de gedegenereerde, modern-chaotiserende wereld heeft het levenstijdperk van de volwassen man of vrouw.

Voor andere stemmen doof

De orde die aan de eigenmaking van deze orde van het leven ten grondslag ligt, is eenvoudig en duidelijk. Het leven begint met het spreken: het spreken van de orde bij monde van vader, moeder, grootouders, kerk, de onderwijzer op school. Het kind moet leren zwijgen (spreken leert het vanzelf) om te luisteren en om later zelf juist te kunnen spreken en te kunnen naspreken – voor andere stemmen doof. In de moderniteit staat het zwijgen voor de chaos die het vrije spreken van de mens als het ware afdwingt. Het klassieke zwijgen staat daarentegen voor de houding van het luisteren om zelf later door te kunnen geven. Deze laatste vorm van zwijgen onderricht jonge mensen in het rust kunnen vinden om later te kunnen berusten in de goede dingen van het leven die later zullen worden aangereikt. Waar de moderne mens talloze keuzes creëert die nooit werkelijke rust en bevrediging kunnen schenken, leert het zwijgen ons te berusten bij de ene goede vrouw of man die we in het leven tegen zullen komen als onze echtgenoot of echtgenote. De onrust van het steeds weer opnieuw tal van potentiële gegadigden zien, als het bijvoorbeeld om de liefde gaat, verhindert een mens om een gelukkig, en een stil en gerust leven te leiden. Niet de mogelijkheid immers schenkt geluk, maar de werkelijkheid die aan de mogelijkheid vooraf gaat (cf. Anselmus) schenkt het ware geluk en het goede leven dat daaraan vooraf gaat.

Wat voor relatievorming geldt, gaat in nog sterkere mate op voor de seksualiteit. Slechts een vanzelfsprekende beleving van een gezonde, heteroseksuele seksualiteit waarin de natuur van de mens, zijn hogere roeping en de talloze voorbeelden in familie, geschiedenis en cultuur elkaar versterken, kweekt seksueel gezonde mensen die op een goede manier “voorbij kunnen gaan aan hun seksualiteit”. Ik bedoel hiermee dat men iets is en niet iets beleeft. Een gezond en gelukkig leven “vergeet” als het ware de normaliteit en “vergeet” het geluk. Men leeft beide zaken zonder deze te vervangen door bespiegelingen en reflecties over “de ware partner” en “de authentieke seksualiteitsbeleving”. De Holebi-activisten offeren het normale, goede en gelukkige leven van de massa op aan de existentiële en psychotherapeutische van een seksuele vorm die zichzelf steeds maar weer moet bewijzen, naar anderen toe, en naar zichzelf toe.

Convergentie en megafoon

Nu bestaat de cultuur van het zwijgen niet tot nauwelijks in de wereld van media en politiek. Verlichting en Revolutie hebben een cultuur van ter discussie stellen geïntroduceerd waarbij de normaliteit in het publieke discours steeds meer in de lucht kwam te hangen. De beperkte reikwijdte van het publieke discours liet het gewone leven aan de basis lange tijd vrij ongemoeid. Want al was het in de “wereld van politiek en wetenschap en cultuur” anders, in huis, op school, in het dorp, bij de verwanten was alles nog beschermd, vanzelfsprekend en ordelijk en kon een kind er onbevangen opgroeien en worden opgevoed. Dat de huiselijke sfeer van mensen lange tijd nog zo gezond was, is ons nu nog steeds tot zegen. Want om een sterke "burger", vader, moeder of wat dan ook te worden, is het nodig dat de natuurlijke orde zich diep innestelt in de psychologie het kind. Een kind moet daarom van jongs af aan worden omringd door vanzelfsprekende vastigheden die het karakter vormen en verankeren. Daar heeft niet alleen het kind later profijt van, maar ook de ouders, de man of vrouw, de eventuele kinderen en de maatschappelijke gemeenschap rondom de betreffende persoon. Overal, in alle geledingen van de maatschappij zijn er mensen nodig die onophoudelijk, zonder gemor, zonder ziekelijke twijfelzucht en zonder het openhouden van alle opties op een natuurlijke wijze hun taken vervullen op maatschappelijk, sociaal-economisch, religieus en moreel gebied. Maar moderne media, moderne politiek zijn niet alleen toegenomen in omvang; talloze sferen die vanouds gescheiden waren, groeien steeds meer naar elkaar toe. Wetenschap, onderwijs, opvoeding en politiek gaan steeds meer hand in hand. Net zoals kunst, cultuur, media en emancipatie. Of elke willekeurige andere combinatie van levensterreinen. Deze convergentie van levensterreinen geeft de politiekcorrecte evolutie een totalitaire trek; een trek die niet alleen steeds meer beslag legt op het gehele leven, maar bovendien als een megafoon werkt: Elke politiekcorrecte oprisping wordt vele malen versterkt en zo onze huizen ingestort.

Wat dan wel?

De vraag hoe we op de lawine van schaamteloze abnormaliteit moeten reageren, is een lastige vraag. Het bespreekbaar maken van ethische zaken richting onze jonge mensen kan niet onverdeeld positief tegemoet worden getreden. De prijs van de onvanzelfsprekendheid, die met deze bespreekbaarheid meekomt, kon wel eens te hoog zijn. Maar er komt hier nog iets anders bij kijken: de bespreekbaarheid van wat tegen de politiekcorrecte opvattingen ingaat, heeft een hoog schijngehalte. We mogen niet vergeten dat de moderniteit een gesloten paradigma is: een paradigma van schaamteloosheid en politieke correctheid. Dit paradigma staat niet open voor andere, afwijkende opvattingen. Daarmee verslaat de moderniteit ons met ons eigen wapen: de kunst van het doodzwijgen. Wat wij kwijt zijn geraakt, heeft de moderniteit zich namelijk wel toegeëigend. De beweging “Actie gezin” kan dit beamen. De talloze stukken die zij naar aanleiding van de affaire Van Brempt richting de media hebben opgestuurd, zijn stuk voor stuk geweigerd. Het moderne paradigma kent niet zoiets als een recht op antwoord op of tegengeluid. Althans niet als het “van buiten” komt. Het cordon sanitaire is een wezenskenmerk van het politiekcorrecte discours dat vele stromingen en opvattingen betreft. De vraag is dus gerechtvaardigd of deelnemen aan het publieke debat – of doen alsof – nog wel zin heeft. Artikelen opsturen, demonstreren of weblogs volschrijven gaat teveel uit van de mobilisatiegedachte van de zwijgende meerderheid. Maar onze tijd heeft geleerd dat zwijgende meerderheden niets voorstellen als de megafoon van de tolero’s als mevrouw Kathleen van Brempt op hen staat gericht. Zwijgende meerderheden blijken dan zich aanpassende, hooguit morrende meerderheden te zijn. En deze meerderheden zijn nu politiek correct aan het worden. En derhalve dus niet mobilisabel voor onze doeleinden. Hooguit roepen onze acties ergernis op en zullen ze de megafoon van de tolero’s versterken.

Het nieuwe zwijgen

Het is dus een illusie om onze kansen af te wachten. Maar waar geen kansen liggen, moeten ze worden gecreëerd. Buiten de media om moet er een alternatief discours worden gevormd. Of dat mogelijk is, is afhankelijk van een aantal randvoorwaarden. Deze inhoudelijke, maar ook praktische, randvoorwaarden zullen in staat moeten zijn om het gezonde zwijgen te combineren met een juiste manier van spreken. Het huidige – zo u wilt – rechtse discours is hiervoor ontoereikend. Tal van religieuze, communautaire, economische en ethische splijtzwammen verdringen een cultuur van noodzakelijke onbespreekbaarheid; een cultuur die verder gaat dan politiek pragmatisme, maar waarin natuur, geloof, historie en cultuur weer op één enkele noemer worden gebracht. Het verzwijgen van wat er voor politiekcorrects op de scholen wordt gezegd, is jammer genoeg steeds minder een optie. Maar zolang de ruimte om te zwijgen bestaat, zullen we deze moeten benutten. Door dood te zwijgen van alles wat indruist tegen de normaliteit en de natuur. Laten we de tijd uitkopen dat er nog plaatsen zijn waar onze kinderen niet voortdurend worden geconfronteerd met vragen waar onze ouders vaak geen antwoord op hebben. Deze tijd is aan het inschrompelen.

Ondertussen moeten we werken aan een taal waarin zwijgen, luisteren en spreken bij elkaar horen – in de vorm van het spreken met gezag. – is nog steeds een optie. We zullen ons daartoe deels moeten afwenden van het publieke discours en moeten werken aan een eigen discours. Een discours waarin kweekplaatsen kunnen worden gevonden waarin mensen worden opgevoed die alles wat normaal, goed, liefelijk, harmonieus en gezond is, zonder een enkel moment van nadenken en bewustwording in één oogopslag bevestigd zien worden of het tegendeel waarnemen: dat het waargenomene afwijkt van datgene wat normaal is. Mensen die handelen vanuit een geweten dat is gefundeerd op de diepste drijfveren van een mens: het besef van de orde. Een orde die zaken omvat als mannelijkheid, vrouwelijkheid en het verschil tussen beide, de betrouwbaarheid van gedrag en van woorden, de waarde van het leven, de onderworpenheid van kinderen aan ouderlijke gezagsdragers.

Lees verder...

donderdag 5 juni 2008

EVG

Vandaag een experiment uitgehaald met "het vrije woord". U weet wel: dat fetisj van liberaal dat alleen maar betekent dat iedereen die niet liberaal z'n mond moet houden en naar het geraas en getier van stompzinnig Nederland moet luisteren. Het vrije woord heeft slechts één richting, zoals ik op bitterlemon.eu reeds heb gezegd, en wel deze: alles moet modern worden en al het oude afzweren en achter zich laten. Wie dat niet doet, wordt het slachtoffer van dat "vrije woord".

Maar enfin, het hysterische wereldje van fora, blogs en andere sferen is weer eventjes door mij betreden. Ik had reeds een account bij het forum van elsevier.nl, maar daar maakte ik tot enkele dagen terug nauwelijks gebruik van. Tot enkele dagen terug dus. Onder de "schuilnaam" "evg" plaatste ik zo nu en dan een korte opmerking. Tegendraads, luchtig en prikkerig. Ze - de andere forabezoekers - konden me niet plaatsen, merkte ik.
Het is een raar wereldje. Of je mekkert mee met de liberale geiten, of je wordt meteen beschuldigd een islamiet te zijn en imams te bezoeken. Of je wordt beschuldigd allemaal eenzelfde persoon te zijn. En dat allemaal op het forum van Elsevier: een "opinieblad" met zo goed als geen analyses, ontoegankelijk voor journalisten buiten de vaste crew en politiek instrument van een libertijnse geldmaffia.
Maar goed: vandaag ben ik van het forum afgegooid. Zonder bericht, zonder reden. Teveel op één dag gepost? Het zou kunnen. Maar afgezien daarvan: alles mag. Je kunt ontelbaar vaak posten, stille doodswensen uitspreken, valse beschuldigingen plaatsen aan het adres van "gristenhonden", Hirsch Ballin aanvallen vanwege zijn raciaal Joodse afkomst, etc. etc.
De bezoekers zijn er goed in. Maar het viel me op dat de schrijvers er ook wat van kunnen. Carla Joosten, Simon Roozendaal, Afshin Ellian - allemaal leggen ze een simpele, leeggelopen bal neer, ongeveer drie centimeter voor het doel, die dan door hordes simpele, woedende, ressentimentsvolle Elsevier-liberalen erin wordt getrapt.
Simpel en zielig. Zielig dat een blad als de Elsevier toch nog een oplage heeft van (volgens eigen zeggen) 135.000 stuks. De rotzooi die erin wordt geschreven door Syp Wynia, het kritiekloze adoreren van een Rita Verdonk, het schaamteloze besmeuren van Rouvoet en het CDA, de niet onderbouwde, slecht opgebouwde kritiek van de Elsevier-journalisten belooft nog wat voor de toekomst. Wie daar al te vaak kritiek op levert, wordt genegeerd of (waarschijnlijk) van het forum afgegooid.
Maar goed. Misschien overdreef ik met het aantal postings. Twintig op een dag op vier plekken is toch wel veel. Dat is meer dan de afgelopen twee jaar bij elkaar. Maar goed, het bleef een leuk experiment. Ik was al lam toen ik er aan begon, en nog lammer toen ik roemloos eindigde. Het gevoel van een uitkeringstrekker met een gesubsidieerde internetaansluiting of de surfende kantoorklerk onder werktijd, beviel me niet. Net niet even leuk. Maar toch uitspelen, met het gevoel dat er toch ergens lezers knarsetandend toekeken.
En dan opeens eraf worden gegooid. Terwijl het "het vrije woord" voor en "het vrije woord" na was. Het woord is vrij, tot er ergens een liberaal aan de "uit"-knop draait en er alleen nog het liberale vrije woord door de luidsprekers schalt.
Mocht men op het forum dus willen weten waar "evg" is gebleven op het forum, via googelen kom je wellicht hier terecht. En voor die enkeling is dit stukje geschreven.

Lees verder...

zondag 1 juni 2008

Veertig jaar Mei 1968 - Het verdriet van rechts

Afgelopen maanden vonden er in rechtse kringen twee opmerkelijke begrafenissen plaats. Die van het paleoconservatisme en die van het traditioneel conservatisme. Begin april verklaarde professor Paul Gottfried het paleoconservatisme voor dood in een essay op het paleoconservatieve Takimag.com. Niet lang daarna deed professor Claes Ryn hetzelfde met het traditioneel conservatisme in het toonaangevende blad Modern Age.

Twee begrafenissen in slechts enkele maanden tijd. Twee tegenstanders van Mei ’68 zijn niet meer en liggen onder de grond. Althans volgens haar volgelingen. Niet dat dit volgens Paul Gottfried en Claes Ryn het einde betekent van een conservatieve, rechtse beweging; hierover straks nog een enkel woord. Maar toch zit er iets definitiefs in hun aankondigingen. Het deed me denken aan een soortgelijke proclamatie van Peter Sloterdijk tijdens het zogenaamde Eugenetica-debat met onder meer Jürgen Habermas. Sloterdijk sprak toen de gedenkwaardige woorden:

"De Kritische Theorie is gestorven. Ze was al geruime tijd bedlegerig, de kribbige oude dame, nu is ze van ons heengegaan. We zullen samenkomen aan het graf van een tijdperk om de balans op te maken, maar ook om het einde van een hypocrisie te gedenken." Tja, wat is dat nu, vraagt u zich af? De Kritische Theorie hoorde toch bij de revolutie van Mei ’68? En die is nu dood verklaard? En ondertussen zijn haar belangrijkste tegenstanders ook overleden? Maar wat leeft er dan nog wel? Waarmee zitten wij dan opgezadeld? Nu de moeder van alle revoluties, deze laatstgeborene, is heengegaan, zal het gebrul van de tijger – die elke revolutie toch is – dan eindelijk verstommen?

Peter Sloterdijk ziet het goed: de tijger van Mei ’68 is dood. Want elke revolutie, elke tijger doodt zichzelf nadat ze de meeste van haar kinderen heeft opgegeten. Deze kinderen van de revolutie zijn vaak rechts, conservatief, dom en naïef. De overgebleven kinderen zullen huilen. En in hun gewetens zal de tijger blijven brullen. Ziehier de huidige toestand van rechts na Mei ‘68 in een notendop. Maar goed, de mokerslag van Mei ’68 is enorm geweest. Zo krachtig dat bijna alles eraan is overleden. Als laatste Revolutie heeft ze haar werk grondig gedaan. Rechts, traditioneel, conservatief Europa heeft zulke klappen opgelopen dat reanimatie geen zin meer heeft. Daar ligt hij, die zielige oude, rechtse Europeaan, naast die oude, tandeloze vrouw met de naam christendom. Vergeten en veracht.

De rechtse meneer is zwak geworden. Hij is te zwak om nog na te kunnen denken. Hij is verzwakt omdat hij dacht de tijger te kunnen berijden, maar werd zelf door dit beest aangevallen. En hij blijft zwak door het aanhoudende mitrailleurvuur van de moderniteit. De gehele toestand van rechts na de revolutie van Mei ’68 is te vervatten in deze drie geluiden: Het geluid van een brullende tijger, het geluid van een huilende krokodil en dat van aanhoudend mitrailleurgeweer.

Allereerst de huilende krokodil. Het verdriet van rechts is dat er niet zoiets te horen is als het geluid van ècht verdriet. Rechts doet alsof ze treurt, maar wie goed kijkt, ziet enkel krokodillentranen. Men verafschuwt de revolutie, maar stiekem adoreert men de vruchten ervan. Ook rechts is bevrijd van de bevoogding door kerk, traditie en familie. Ook rechts kan nu geloven, zeggen, schelden, denken en roepen wat men wil. De ballast van de geschiedenis, van kruistochten, inquisitie, vrouwenonderdrukking, geweld en scheppingsbijgeloof is afgeworpen. Toch knaagt het ons aan. Rechts zonder traditie is immers niks? En elke keer als we voorzichtig opkomen voor het gezin, voor de heteroseksuele normaliteit – steeds weer brult de tijger van de revolutie ons toe in elk debat, in elke aantijging in een De Morgen of in een De Standaard. En bovenal: ze brult in onze gewetens. De kinderen van Mei ’68 hoeven zich nooit te verdedigen. Ze hoeven dat ook niet, want ze hebben gewonnen. En ze kunnen dat ook niet, want de tijger is dood. De revolutie heeft zich vereenzelvigd met het gewone leven en heeft daardoor alles wat rechts is belachelijk gemaakt.

Rechts is dus stiekem blij – blij over de verworvenheden van de revolutie – èn stiekem bang – bang voor de wraak van haar verleden. Bovendien schaamt rechts zich voortdurend. En daar heeft ze ook reden toe. Want hoe vaak heeft rechts niet geprobeerd de tijger te berijden? Toen de Amerikaans-Nederlandse historicus James Kennedy de Mei ’68 revolte in Nederland onderzocht, in zijn proefschrift Nieuw Babylon in aanbouw, viel hem vooral dit op: in tegenstelling tot wat de mythe van de historici ons leerde, werd de culturele revolutie van de jaren ’60 in Nederland niet in gang gezet door studenten, krakers en hippies, maar door het conservatieve establishment zelf. Regenten en bisschoppen dachten de tijger te berijden door het initiatief over te nemen. En dit is historisch gezien niets nieuws. De tijger profiteert altijd van de kracht van de stommiteiten van rechts. Liberalen, socialisten, communisten, nationaal-socialisten, neomarxisten – allen hebben ze geprofiteerd van de kracht èn van de stupiditeit van rechts. En daarvoor schamen we ons nog steeds. De tijger is dood, maar in onze slaap, in onze gewetens brult ze nog steeds.

We zeiden het al: het verdriet van rechts is dat er geen werkelijk verdriet is. En daarin lijkt ze op de wereld van de revolutie waarin immers ook geen verdriet wordt gekend. De revolutie kent geen verdriet, enkel frustratie. Geen blijdschap, maar cynisme. Ze heeft de vrolijkheid verruilt voor enthousiasme. Nederigheid voor mondigheid; rechtvaardigheidsgevoel voor ressentiment; roepingsbesef voor fanatisme. Het kenmerk van de revolutie is haar tweedimensionale geestesgesteldheid van oppervlakkige emoties met daaronder een constante, smeulende woede. Neem bijvoorbeeld de persoon van Hugo Claus, schrijver van “Het verdriet van België”. Dit grootste stuk verdriet van België kenmerkte zich door veel dingen: vuilbekkerij, spot, blasfemie, pornografie, ressentiment en woede. Alleen niet door verdriet. Wel door weerzin. En deze weerzin keerde zich uiteindelijk tegen zijn eigen lichaam. Want de moderniteit vreet altijd zichzelf op. Claus kende geen verdriet. En hij kon daarom niet barmhartig zijn naar zijn opvoeding en naar het verleden toe. Enkel en alleen was er ook bij hem de smeulende woede die eindigde in smerige taal en die uiteindelijk bij hem de hand aan zichzelf deed slaan.

Hugo Claus was een duidelijk exemplaar van de tweedimensionale mens die er sinds Mei ’68 is opgestaan: een oppervlakte van frustratie die enkel en alleen diepte krijgt door de duistere diepten van vuiligheid en haat af te tasten en dit op te tuigen met een hoop overbodige informatie. Het resultaat: de moderne roman. Of de moderne column. Of iets dergelijks. De generatie van Hugo Claus heeft ons doen willen geloven dat de strijd van ’68 de strijd was tegen het fascisme. Hoe lang zullen we dit nog geloven? Volgens Götz Aly, die als student een rol speelde in het Duitse Mei ’68, moeten we dit beeld bijstellen. Volgens hem week de vernietigingdrang van de Mei ’68 generatie niet af van die van de nazi’s enkele decennia eerder. In zijn boek, Unser Kampf 1968, merkt deze veteraan van “Mei ‘68” op dat er meer overeenkomsten waren tussen de neomarxisten van Mei ’68 en hun nationaal-socialistische ouders en grootouders dan men denkt. Hij noemt een aantal zaken waaronder het gemeenschappelijke streven naar tabula rasa. Een streven dat zich niets aantrekt van historie, traditie, natuur en religie. Integendeel, al deze genoemde zaken werden juist verdacht gemaakt en in een kwaad daglicht gesteld omdat deze zaken ontwikkeling en vooruitgang van inzicht in de weg zouden staan. Behalve dat Götz Aly de mythe ontzenuwt dat de naoorlogse generatie Duitsers de oorlog verzweeg, keert hij het om: juist de neomarxistische studentengeneratie verdrong de oorlog en legde daarentegen eenzelfde pathos aan de dag als de nazi’s deden: dwepen met nieuwe waarden om de oude te vernietigen. En ik voeg daar aan toe: om uiteindelijk ook de nieuwe waarden los te laten.

Mei ’68 heeft politiek, recht en cultuur losgeweekt van de fundamenten zonder daar andere waarden voor in de plaats te bieden. Men heeft oude waarden, zoals tolerantie, vrijheid en vertrouwen, ontdaan van de basis – ontdaan van de oorspronkelijke betekenis en inhoud. Waar voorheen deze waarden een positieve betekenis hadden, en slechts konden worden verstaan in de bedding van een Europese, christelijke cultuur, hebben de revolutionairen van Mei ’68 deze begrippen veranderd van waarden in anomalieën – onmogelijkheden. Eén zo´n anomalie van de moderniteit is die van het moderne vertrouwen.

De moderne maatschappij eist steeds meer grenzeloos vertrouwen van de burger in de systemen terwijl het natuurlijke fundament voor dit vertrouwen afneemt. De moderniteit vraagt immers steeds meer vertrouwen van de burger in de grote onpersoonlijke machten en processen? Zonder vertrouwen klopt ons systeem niet meer, ik verwijs hiervoor naar het werk van Niklas Luhmann. Maar het ongefundeerde vertrouwen is problematisch aan het worden.

De Nederlandse minister van justitie Hirsch Ballin heeft het geweten. In de nasleep van de discussie over de film “Fitna” van Geert Wilders toverde hij, zoals u misschien nog kan herinneren, opeens een notitie tevoorschijn waaruit zou moeten blijken dat Wilders van tevoren het kabinet had medegedeeld dat hij in zijn film ook pagina’s uit de Koran zou scheuren. Wilders was ziedend en zei dat hij zoiets nooit had gezegd. Volgens hem loog het kabinet. En een groot deel van de bevolking wist achteraf niet meer wie de waarheid had gesproken. De vele oproepen tot vertrouwen in politiek en bestuur en de afgedwongen overgave aan de machten van politiek en justitie blijken in onze tijd opeens geen basis meer te bezitten – ze zweven als het ware. Nog nooit is het vertrouwen van de Nederlandse burger in de politiek zo laag geweest. Mei ’68 heeft met haar vernietigende kritiek de basis van gezond vertrouwen vernietigd. Haar kritiek heef het volk structureel wantrouwend gemaakt. En dit wantrouwen keert zich nu tegen het postrevolutionaire establishment.

De tijger van Mei ’68 is gestorven. Haar erfenis bestaat uit twee dingen. Ten eerste het gebrul in het collectieve geweten van onze cultuur – ik heb dit reeds kort aangestipt. Ten tweede is er haar nalatenschap in de vorm van een machine: een machinegeweer. Het geluid van de moderniteit is een constant mitrailleurvuur. De generatie van Mei ’68 heeft een mitrailleur gebouwd die als een machine alles wat boven het maaiveld uitkomt, neer maait. Met een stelsel van politieke correctheid, gelijkheidsdenken en antidiscriminatiewetgeving heeft ze een mitrailleur ontwikkeld die constant haar schoten afvuurt op de samenleving. Door haar ressentiment van een politiektechnisch instrumentarium te voorzien, heeft Mei ’68 de tijger vervangen door een mitrailleur om zo de geschiedenis af te sluiten en op te heffen. Politiek gezien bestaat het mitrailleurvuur uit de constante druk van gelijkheidsdenken, antidiscriminatiebepalingen, politiekcorrect denken op alle niveaus van ons bestaan. Technisch gezien bestaat het mitrailleurvuur uit bijvoorbeeld een medium als Internet dat al onze stappen onuitwisbaar maakt, en elke levensloop transparant kan maken.

Ik maak nu een omslag, en wel als volgt: Ik geloof steevast dat de machine van Mei ’68 ooit uit elkaar zal knallen. Links ondergraaft zichzelf namelijk voortdurend. Ze creëert een abstracte samenleving die slechts gedijt op grenzeloos vertrouwen, maar ondertussen ondergraaft ze zelf alle voorwaarden voor dat vertrouwen. En links roept voortdurend om de noodzaak van nieuwe gemeenschapsvormen, maar ondertussen ondergraaft ze elke voorwaarde voor elke vorm van gemeenschap. De vraag is dus niet òf de linkse machine zal ontploffen, de vraag is wanneer en of wij dat nog mee zullen maken. Want wij moeten natuurlijk wel overleven.

Met andere woorden: zijn wij in staat om het gebrul van de tijger in onze gewetens te doen verstommen, om onze verlamming te doorbreken, het krokodillengehuil te vervangen door echt verdriet en onze agenda niet meer te laten bepalen door het mitrailleurvuur van media en politiek? Zijn wij nog in staat om tegenover een linkse cultuur van ressentiment, ondankbaarheid en woede een tegencultuur te poneren van dankbaarheid, eer en verdriet? We zullen wel moeten, en de vraag is dan ook alleen: hoe?

Om te overleven en een begin te maken met het herstel zullen we ons moeten onttrekken aan de revolutie die nog steeds het straatbeeld domineert. De agressieve moderniteit met haar mitrailleurvuur brengt ons alleen maar op slechte ideeën. Ze put ons uit door onze hoop te vestigen op pamfletten, activisme en politisering. Ze daagt ons voortdurend uit om ons bloot te geven en ons via Internet ongeschikt te maken voor elke gang door de instituties. Rechts heeft een schreeuwend gebrek aan luwte. Hoe komen we aan deze luwte die ons denken weer op orde kan brengen?

Daarvoor keer ik terug naar het begin van mijn verhaal. Naar de begrafenis van het paleoconservatisme en dat van het traditioneel conservatisme door Claes Ryn en Paul Gottfried. Rechts is volgens hen dood omdat ze zich heeft laten verleiden door pragmatisme, doordat ze teveel is opgegaan in de waan van politiek en actualiteit, en door tal van andere redenen. Èn doordat ze lui is en het denken aan links overlaat en bovendien verstoken is van enige vorm van verbeeldingskracht waardoor onze kinderen alleen nog maar romans lezen van verbitterde lieden als Hugo Claus en consorten. De Kritische Theorie van links is dan wel dood en begraven, maar ze heeft haar uitwerking niet gemist. En de cultuur is dan wel een lachertje geworden, maar we leven er ondertussen wel middenin. En de nieuwe generaties weten niet beter dan dat alles om hen heen normaal is en nooit anders is geweest en ook niet anders kan.

Professor Ryn wijst op de noodzaak van theorievorming en verbeeldingskracht. Rechts moet, volgens Ryn, haar huiver voor theorievorming overboord gooien. En we moeten nadenken hoe het komt dat de culturele inbreng van rechts in onze tijd nihil is. Waarom reageren we alleen nog - zijn we reactionair geworden - maar zijn we niet in staat om mensen te veranderen en ze ongeschikt te maken voor de revolutie?

Want dat is mijn persoonlijke ervaring: vaak is het niet nodig om goede mensen vol te stoppen met de juiste ideologische bagage. Het is vaak genoeg om ze ongeschikt te maken voor de revolutie. Goede boeken, goede ideeën, de juiste vragen en mensen om hen heen doorbreekt de banden van de revolutie. Maar om - ook zo - mensen te bekeren, is het nodig om beslag te leggen op deze mensen.

En rechts bekeert geen mensen omdat ze het vermogen mist beslag te leggen op mensen. En om beslag te kunnen leggen op de moderne mens voeg ik nog een derde element bij de twee die professor Ryn reeds noemde, namelijk “gemeenschapsvorming”. Het intellectuele, het artistieke en het sociaal-emotionele leggen alle beslag op de mens. Maar het gaat om het integrale geheel waarbij de “gemeenschap” zowel onderdeel is als kader van het geheel. De glasheldere theorie, het vertrouwenwekkende van de gemeenschap en het intrigerende van de roman, leggen beslag, laten een indruk achter, smeden banden voor het leven.

Die gemeenschapsvorm is cruciaal. Want hoe doe je anders aan theorievorming als je geen academie hebt? Hoe doorbreek je een sfeer van provincialisme en activisme waarbij iedereen z’n eigen straatje veegt, maar waarbij geen enkel straatje nog naar Rome voert? En er dus geen culturele en ideologische synthese meer mogelijk schijnt? Dat kan door een structuur op te zetten van virtuele koffiehuizen en virtuele discoursen die uitgroeien tot een netwerk van kleinschalige initiatieven. Want zowel het kunstwerk als de theorie hebben eenzelfde geboortegrond: een sterke cultuur van intellectuele vriendschap. Daar ontstaan de ideeën die in de vorm van romans en van theorieën vorm kunnen krijgen. Met als tussenstap een essayistisch klimaat.

Rechts zal zich moeten onderscheiden in een oefening die zowel het gewone leven omsluit als de kunsten. Om de brullende tijger in ons geweten het zwijgen op te leggen zullen we eindelijk eens schoon schip moeten maken met de ballast van ons verleden. En alleen een culturele en ideologische synthese verhindert een koelbloedige afrekening met dat verleden. Een cultuur van dankbaarheid en van echte emoties zal het tegen de cultuur van ressentiment moeten opnemen. En alleen door de politiek naar het tweede plan verwijzen, zullen we het geluid van het mitrailleurvuur stoppen. Let wel: het geluid, maar niet het vuur zelf. Maar meer is niet mogelijk en we zullen die luwte nodig hebben om rechts weer op orde te krijgen. Veertig jaar Mei ’68 vraagt dus om concrete stappen van ons.


Lees verder...

zaterdag 31 mei 2008

EENRICHTINGSSTAAT

Eindelijk hadden de voorvechters van de vrijheid van meningsuiting van zich kunnen laten spreken. Naar aanleiding van de harde aanpak van extreemrechtse sites door justitie. Men had kunnen protesteren tegen de structurele aanval op dit soort internetfora door justitie. Maar men doet het niet. Ayaan Hirsi Ali richt haar giftige tong wel op Hirsch Ballin en de zijnen, net zoals vele anderen dat doen, maar dan wel met slechts één doel: de islambashing onverminderd voortzetten en de vrijheid van meningsuiting net zo lang misbruiken tot deze niets meer waard is.


Waarom wordt de aanpak van extreemrechtse organisaties en websites door de media en de opinieleiders genegeerd? Zoals deze week genoegzaam bleek? Waarom mag beledigende kunst worden gesubsidieerd, maar mag een EO volgens velen niet uitzenden wat ze wil? Waarom moeten christenen als Yvette Lont op hun tellen passen en aangiftes riskeren, en mogen gratis dagbladen vol bevuiligingen massaal worden verspreid onder scholieren en anderen? Waarom moeten aangiftes tegen een Gregorius Nekschot door justitie maar worden genegeerd, maar staan politici als Rita Verdonk en Geert Wilders direct klaar met aangiftes tegen personen die hen ontoelaatbaar zouden beledigen? Waarom doet Hirsi Ali haar mond wel open als de islam in het geding is (tijdens het verkooppraatje rond haar “kinderboek”), maar zwijgt ze als een SGP door zowel Europa, politiek als rechtspraak wordt geschoffeerd? Wel, hierom: de moderne samenleving is een beweging die slechts één richting kent. Het eenrichtingsverkeer gaat richting een set nieuwe waarden die de oude moeten vernietigen. Maar alvorens dat gebeurt, gebruikt men deze oude waarden eerst om zichzelf te vernietigen. Men jongleert met grondrechten en waarden om het spel, en niet om de knikkers. Men jongleert met de vrijheid van meningsuiting om de mening onderuit te halen. Men gebruikt de vrijheid van godsdienst om de godsdienst af te schaffen. En ga zo maar door.

Wie dit niet in de gaten heeft, laat zich vroeg of laat in de tang nemen door de onvruchtbare dialectiek van de moderniteit. Die denkt dat hij wordt gedwongen te kiezen tussen grenzeloze vrijheid en een inperking van elke vorm van vrij denken en spreken. Of tussen theocratie en democratie. Tussen onderdrukking en liberale rechtsstaat. Of tussen participatie in het partijpolitieke proces en als buitenstaander ieder recht van spreken verspelen. Het lijkt een spel, een samenzwering van spelers die denken dat het voetbalstadion de werkelijkheid is en dat alleen spelers en toeschouwers er toe doen. De conservatief doorziet de samenzweringstactieken van de moderniteit. Vrijheid van denken is gefundeerd denken. Vrijheid van spreken is verantwoordelijk spreken. Vrijheid van godsdienst is de vrijheid om de ware God te dienen. Vrijheid en orde zijn voor de conservatief één en hetzelfde. Het is de moderniteit die de vruchtbare wisselwerking tussen vrijheid en orde heeft doorgesneden. En wie dit doorsnijdt, maakt van de moderne maatschappij een toestand waarin al het verkeer alleen nog dezelfde kant opraast. De eenrichtingsstaat is dan geboren.

De huidige samenleving kenmerkt zich door de samenzwering. Deze samenzwering van allen tegen allen gaat slechts één enkele richting uit: verraad van zichzelf en overlevering aan de chaos van de permanente tegenspraak van zichzelf. Het complot van minister van justitie Ernst Hirsch Ballin en cartoontekenaar Gregorius Nekschot is daarvan het zoveelste bewijs. Want wat is er erger? Een minister die de orde wil handhaven zonder zich daarbij gelegen te laten aan de links-liberale opvatting van politieke correctheid, namelijk: veroordeel alles behalve het links-liberale? Of een tekenaar die tekent wat iedereen denkt? Wie is er slechter? Een man met moraal en wijsheid die de alomtegenwoordigheid van de staat helpt vestigen? Of een man zonder moraal en wijsheid die ditzelfde niet wil, maar wel doet: namelijk de staat versterken en de burger een loer draaien? De man met moraal en wijsheid is minister van justitie Ernst Hirsch Ballin. De man zonder deze eigenschappen noemt zich Gregorius Nekschot. Beide personen zadelen elke conservatief met een dilemma op. Tenminste: de gebeurtenis die stof deed opwaaien en waarin beide een hoofdrol speelden. De arrestatie van Gregorius Nekschot op basis van een aantal aanklachten die tegen hem waren gericht vanwege cartoons die kwetsend zouden zijn, vormde de aanleiding tot een gekrakeel dat nog steeds niet afgelopen schijnt te zijn.

Wat was er volgens Elsevier, D66 en ander liberaal volk allemaal aan de hand? Welnu: het Openbaar Ministerie zou zich bediend hebben van buitensporig gedrag tegenover de cartoonist Nekschot. Is het nodig om een cartoonist dertig uur vast te houden na hem met een aantal agenten te hebben opgepakt? Is er sprake geweest van intimidatie? Van een grove inperking van de vrijheid van meningsuiting door de verderfelijke confessionelen in het kabinet: die van CDA en ChristenUnie? Is het waar dat iemand als Hirsch Ballin zich stiekem liet leiden door zijn drang om godslastering in het strafrecht te willen laten staan, en dat hij daarom maar al te graag wilde zien dat een cartoonist als Nekschot de wacht zou worden aangezegd? Er werd veel gespeculeerd en nog meer gefantaseerd. Buitensporig optreden van justitie en politie? Wie het politieoptreden kent, weet dat er in onze tijd of buitensporig wordt opgetreden of helemaal niet. Men wil geen risico lopen. Daarom zet men honden in, licht men iemand uit zijn bed en wordt er veel middelen ingezet. Of er gebeurt helemaal niets en men laat een wijkopzichter in elkaar slaan door baldadige randgroepjongeren. In Amsterdam is dat niet anders. En intimidatie? Intimidatie door linkse, seculiere staatslakeien. Want in Amsterdam bestaat de politie uit hetzelfde slag volk als dat partijen als PVV, VVD, GL, D66 en PvdA door worden bevolkt: linkse liberale, seculiere staatslakeien. Van die mannen en vrouwen die ook graag – zonder al teveel roepingsbesef – hun mening en gevoelens uiten. Als volksvertegenwoordigers oorlogen mogen verklaren aan anderhalf miljard mensen, mogen politieagentjes dan niet met kiezelsteentjes gooien?

Frappant was het feit dat ongeveer op hetzelfde moment dat de ophef rond Nekschot ontstond Rita Verdonk een aanklacht wegens smaad indiende tegen een aantal mensen dat op een onheuse manier tegen haar had gedemonstreerd. Je zou zeggen: wat is het verschil? Wat is het verschil tussen de zogenaamde oprechte verontwaardiging over uitspraken van mensen als Leendert van Dijke, Yvette Lont, het echtpaar Goeree (ook alweer een paar jaar terug), wat uitspraken op enkele extreemrechtse blogs waarvoor mensen uit hun bed werden getild, en Gregorius Nekschot? Waarom maakt niemand zich druk om mensen die worden aangeklaagd en maakt iedereen zich druk om Gregorius Nekschot? Anders gesteld: waarom durven mensen die zelf anderen aanklagen wegens smaad, zoals Geert Wilders, tegelijkertijd het op te nemen voor iemand als Nekschot? En waarom roept iedereen alsnog niet dat met terugwerkende kracht ook Leendert van Dijke en Yvette Lont altijd mogen zeggen wat ze willen? Leendert van Dijke riep immers niet op tot geweld. Yvette Lont ook niet. De meesten die worden aangeklaagd niet.

Ik kan geen zinnige reden bedenken. Of het moet zijn dat Gregorius het symbool is van de ultieme drang van liberaal en libertijns Nederland en staat voor een samenleving waarin niemand nog samen leeft, maar enkel en alleen zich uitleeft in pornografie, blasfemie, laster en ressentiment. Waarom komt een PVV op voor iemand als Gregorius Nekschot, één van de meest respectloze cartoonisten van ons land? En niet voor vergelijkbare personen? Mij kwam enige tijd geleden een geval ter ore; het betrof een dissident lid binnen het CDA – de heer VDL – die enige tijd geleden ook is opgepakt na te zijn dwarsgezeten door justitie. Deze laatste persoon werd enige tijd geleden eveneens de dupe van onze al te daadkrachtige politie en justitie en werd naar eigen zeggen belemmerd in de verspreiding van informatiebulletins en werd zelfs opgepakt en in de cel gegooid na te zijn verhoord over artikelen die hij tegen de islam zou hebben geschreven. Nu zijn sommigen, zoals justitie, van oordeel dat deze persoon sommige grenzen in het menselijk verkeer niet of onvoldoende in acht neemt. Maar afgezien daarvan heeft hij niets onoorbaars gezegd. In tegenstelling tot Gregorius Nekschot. Het dissidente CDA-lid zijn zaak voorgelegd aan diverse PVV’ers waaronder een Kamerlid. Deze gaven niet thuis. Waarom niet? Waarom is een dissident CDA-lid bij voorbaat schuldig? Waarom wordt iemand die niet opruiend, smerig en godslasterlijk zich uit niet gehoord bij een PVV? Of waar dan ook? Waarom meende men bij iemand als de heer VDL geen politieke winst te behalen, maar bij iemand als Gregorius Nekschot wel?

Als er in het geval van Nekschot bij justitie geen sprake is van terughoudendheid, is deze houding er bij anderen ook niet. De heer Gregorius Nekschot klaagt dan wel breeduit over zijn behandeling, maar waarom eigenlijk? Voor de buitenwereld is hij toch duidelijk te situeren binnen een rechtspopulisme dat voortdurend schreeuwt om het opschorten van burgerrechten, het neerschieten van mensen in de benen en het zonder bewijs voor onbepaalde tijd laten vastzetten van mensen uitsluitend op basis van een verklaring van een AIVD´er? De enige terughoudendheid die Nekschot heeft betracht is dat hij de roep om grenzeloos optreden van justitie door zijn “bondgenoten” nooit heeft “beloond” met een mooie cartoon waarin nu eens een persoon als Wilders of Verdonk de kwade hoofdrol speelde. Maar goed. Wat er gebeurd is rondom de persoon van Nekschot is ondertussen breed uitgemeten in de pers. Deze persoon is enige tijd geleden door de Nederlandse politie opgepakt omdat een aantal van zijn cartoons beledigend zouden zijn, dermate beledigend dat de aanklachten tegen Nekschot door justitie serieus werden genomen. De tekenaar is anderhalve dag vastgehouden op het politiebureau en is door het Openbaar Ministerie gesommeerd een achttal tekeningen van het Internet af te halen vanwege het sterk kwetsende karakter ervan.

Nu lijkt dus een deel van ons land in rep en roer. De vrijheid van meningsuiting zou in het geding zijn als mensen niet meer kunnen zeggen of tekenen wat ze willen zeggen of tekenen. Opvallend is dat in de presentatie van de cartoons er nogal wat wordt verdoezeld. Als er cartoons zichtbaar worden gemaakt dan zijn het meestal niet de schokkendste cartoons; deze laatste hebben een hoog gehalte aan anale verkrachting, kinderen, seksuele hulpmiddelen, islam en christendom. Voor Nekschot hoeft het uitgebeelde niets met de persoon te maken te hebben. Heeft hij een grondige hekel aan een persoon dan is de kans vrij groot dat deze persoon of wordt neergezet als een anaal verkrachtende persoon, òf deze persoon wordt zelf anaal verkracht. Dit alles doet hij in een stijl die je doorgaands vooral tegenkomt in underground-kringen van extreemlinkse en extreemrechtse snit. Met een hoog gehalte aan technofascisme heeft de cartoon vaak een simpel doel: tot op het bot krenken, iemands waardigheid – elke waardigheid – aantasten - besmeuren - en elke vorm van serieus debat, serieuze moraal tot in de grond aanvallen. Zijn doel wordt in interviews met hem onderstreept: de politiek dermate beïnvloeden dat religie en traditie en religieuze en traditionele partijen en instellingen wordt teruggedrongen. Wie de cartoons van Gregorius Nekschot wil bewonderen, kan terecht bij media als de Nederlandse HP/De Tijd, het Vlaamse ’t Scheldt, op websteks als HetVrijeVolk.com en op een persoonlijke webstek. Met name op de webstekkanalen is duidelijk dat de anti-islamitische golf de drager is van de populariteit van zijn columns. En dat de opgeklopte haat tegenover de islam steevast aanleiding is tot onversneden haat tegen alles wat maar enigszins christelijk is. Vaak zo onversneden dat meer traditionele vormen van christenhaat uit extreemlinkse en extreemrechtse hoek erbij verbleken. Historisch gezien vindt het technofascisme van een Gregorius Nekschot vergelijkingsmateriaal in de gemiddelde Nazipropaganda. Wie dus de ultieme smerigheid van de Nederlandse cultuur wil proeven (zo een normaal iemand zo’n drang kan hebben) kan dus een blik slaan op de cartoons van een zekere Gregorius Nekschot.

Is het daarom niet gek dat nagenoeg iedereen die in de media zijn mening geeft over de affaire Nekschot met het commentaar: “Het moet kunnen?” Waarom lijkt het alsof er met de arrestatie van Nekschot een groot goed te zijn aangetast, namelijk de zogenaamde absolute vrijheid van spreken (en tekenen)? Er is in ons maatschappelijk model toch sprake van twee sferen: de publieke en de private? Er is dan toch nog steeds een groot verschil tussen een privéopmerking in de trant van “ze zouden hem moeten ophangen” en een opmerking van een minister-president waarin deze hetzelfde zegt? En waar blijft de verantwoordelijkheid van een premier, of een minister, als de burgers namens wie hij optreedt van geen verantwoordelijkheid willen weten? In het publieke domein is iedereen toch verantwoordelijk burger? Althans volgens de meetlatten van de liberale, democratische rechtsstaat? Met andere woorden: waar is de burger in het debat rond Nekschot, rond de vrijheid van meningsuiting in het algemeen? Kunnen we stellen dat het concept “burger” in onze tijd niet meer voldoet? Namelijk als evenwichtsconstructie tussen de mens als natuurlijke persoon die zijn levensprimaat in de private sferen legt enerzijds en de mens als drager en representant van de algemene zaak anderzijds? Een evenwichtsconstructie die in de publieke sfeer zou moeten leiden, en dat ook deed, tot een natuurlijke synthese van natuur, cultuur en hogere waarden? Wanneer beide polen problematisch zijn geworden, is het concept “burger” een lege huls. En beide polen, de mens als natuurlijk persoon en als representant van de algemene zaak, de res publica, zijn problematisch geworden. En dus is het begrip “burger” een lege huls. En zijn de grondrechten van het burgerdom nietszeggende regels geworden.

Allereerst iets over de beide polen van de burger: de natuurlijke en die van de res publica. Historisch gezien, horen deze polen bij elkaar. Het natuurlijke, de inrichting van de samenleving en het gemene belang van het samenleven vloeiden als het ware uit elkaar voort. Het natuurlijke recht tot zelfverdediging, van verdediging van vrouw, kinderen, goed en have stond niet los van de plicht tot verdediging van de grotere verbanden en zaken. Micro- en macro-orde waren complementair van aard en stonden niet los van elkaar. Dat dit niet meer zo is, kon men zien in de reacties op de befaamde woorden van wijlen J.A.A. van Doorn, columnist in onder meer Trouw. Deze hoogleraar in de sociologie tilde nadat het Voorburgse raadslid Ehsan Jami was gemolesteerd door enkele boze jonge moslims niet zo zwaar aan de klappen die Ehsan Jami had opgelopen. De aanleiding waren de beledigingen aan het adres van de islam. Van Doorn vergeleek het met een ruzie in het café waarbij de een de ander beledigd door zijn vrouw een hoer te noemen; als er dan klappen vallen, valt ook niemand erover. Waarom, zo vond Van Doorn, dan wel zo hysterisch doen in het geval van de klappen aan het adres van Ehsan Jami? Was Van Doorn een jongere, gezonde man geweest, dan had hij een aanklacht geriskeerd van beledigde liberalen en neoconservatieven. Zoals een prof. H.W. von der Dunk die de “klappen” van Van Doorn doodleuk verbond met de messteken in het lijf van Theo van Gogh.

Een natuurlijke reactie veronderstelt een natuurlijke dispositie waarin eer, gevoeligheid, zelfverdediging etc. onderdeel zijn van die dispositie. Van Doorn wist dat en sprak eeuwenoude koeien van waarheden met zijn luttele woorden. De buitenwacht reageerde hysterisch (wat ze altijd doet). Het daaropvolgende debat, waarin ook het jood zijn van sommige deelnemers ter sprake kwam, veroorzaakte “het dieptepunt van het islamdebat” (volgens HP/De Tijd hoofdredacteur Steenhuis) waarin Leon de Winter van Doorn zelfs aanviel op diens ziekte; de ziekte waaraan J.A.A. van Doorn enkele weken geleden ook overleed. De natuurlijke basis is sinds ze onderwerp is geworden van discussie, opgeheven. Man- of vrouw-zijn, relatievorming, seksualiteit, religie, karakter – dit alles is niet meer natuurlijk gegeven – en als gegevenheid onderdeel van een gegeven dispositie – maar onderdeel geworden van een keuzeproces. De natuur is verpolitiseerd: ze komt nergens vandaan en kan overal naartoe fladderen. Wat ook is opgeheven is de notie van het algemeen belang. Waar de natuurlijke grondverhoudingen verpolitiseren, en dus verdwijnen, verpolitiseert ook het algemeen belang (om dus ook te verdwijnen). En het lijkt er thans op dat met het feit dat wanneer iedereen de politicus speelt, de burger is verdwenen. De burger is zelf verantwoordelijk, drager van de res publica, oefenaar van deugden (waaronder de terughoudendheid), etc. Een burger zegt over cartoons als die van Nekschot niet: “het moet kunnen”. Een burger wijst zoiets af. Staatkundig kan er ruimte zijn voor bewegingen als die van een Nekschot, maar in het centrum van de maatschappij, het burgerlijke domein, zijn uitingen als die van Nekschot ongepast. Wat we in rond de discussie “Nekschot” zien is een vreemde verschuiving. Men zegt nu niet meer als burger: “dit mag niet”, maar men vindt c.q. “voelt” als privépersoon: dit is walgelijk. Maar als burger zegt men: “dit moet kunnen”. Maar is dit wel zo? Moet elke burger zich kunnen uiten als een Theo van Gogh of een Gregorius Nekschot? Moet elke politicus dat ook? Elke diplomaat? Elke politieagent? Elke volksvertegenwoordiger? Elke imam?

Nee, natuurlijk. Een kind mag zijn vader ook niet de ganse dag voor “geitenneuker” uitschelden, ook al is Theo van Gogh beroemd geworden met deze woorden. En een leraar mag zijn leerling ook niet zo aanspreken. In een gezonde samenleving zoals die van huis, school of gemeenschap moet zoiets afgestraft worden. Een burger beseft dat het publieke domein niet een omheind stukje grond is waar je alles mag doen en zeggen wat je wilt. Een burger beseft dat het publieke terrein een aspect is van het gemeenschappelijke, hogere belang – als het ware de ruimtelijke aanduiding en vormgeving ervan – dat in elk verband, in elke private sfeer gekend wordt. Publiek staat dus voor verantwoordelijkheid, en niet voor ongeremde vrijheid. In het burgerschap komen de verantwoordelijkheden voor en de integratie van het natuurlijke primaire leven en het republikeinse leven van het algemeen belang bij elkaar. De burger is zelf verantwoordelijk voor zijn bestaan en houdt zelf de componenten bij elkaar. Het moderne denken is hiermee een breuk. De moderne burger is geen burger, maar een politicus die het politiseren van zijn natuurlijke driften (iets anders dan het runnen van een gezin of het besturen van een school) transponeert naar het politiseren van het algemeen belang. Het resultaat is een ongeremde vrijheid die slechts stopt bij het strafrecht. Nu, het strafrecht wordt in de gaten gehouden door het Openbaar Ministerie. En dat concludeerde dat Nekschot te ver was gegaan, en dat om bewijsmateriaal in zekerheid te stellen deze 30 uur vast moest worden gezet. Dus wat is het probleem van allen die niet moe worden Hirsch Ballin, Balkenende en de “gristenhonden” hierop aan te vallen? Hun woede richt zich op de laatste restjes van het oude grondrechtdenken. Het is hier, op deze site, eerder gezegd: het concept grondrechten is niet eenduidig te verstaan. Grondrechten geven een positieve basis aan van onze samenleving, het zijn concrete, natuurlijke, locaal en persoonlijk gebonden en cultureel en religieus getypeerde zaken. In tegenstelling tot wat de huidige common sense meent, namelijk dat grondrechten reservaten van onbeperkte vrijheid zijn te midden van een technocratisch gedetermineerde global society. Slechts door het strafrecht en toetsing van een rechter kunnen grondrechten worden begrensd. En anders niet. Maar in de oude constellatie waren grondrechten, was het concept burgerschap zowel republikeins als natuurlijk gefundeerd. Het strafrecht was hier natuurlijk op geënt. Als het christendom een grond is van onze samenleving, de vrijheid van godsdienst gericht is op de christelijke eredienst, dan is het verbod op godslastering en belediging van de christelijke godsdienst een serieuze zaak. Wie deze zaken aanvalt, valt een pijler aan van onze cultuur en maatschappij. Hetzelfde geldt voor majesteitsschennis. Want als de monarchie een pijler is van onze staat, en de vorst een verpersoonlijking is van ons volk, dan is schennis van deze zaken eveneens een serieuze en ernstige zaak.

Dit alles is verleden. De ongedeelde basis van volk, vorst, godsdienst, kerk, familie, natuur, eer, etc. is er niet meer omdat deze er niet meer mag zijn. Van een ongedeelde basis van grondrechten en wat daaraan vooraf gaat, mag geen sprake meer zijn. De notie van een algemeen gedeelde christelijke moraal en religie is in het huidige politieke klimaat de grote afwezige. Je zou kunnen zeggen dat het liberale model van grondrechten en vrijheden heeft gefaald in het bewaren, onderhouden en vitaal houden van de gemeenschappelijke gronden van onze cultuur. Maar je kunt het verder trekken: het liberale model zou ook falen omdat het wilde falen. In ieder geval willen de moderne liberalen dat ook de laatste resten van de klassieke rechtsstaat falen. Alles wat de moderne, egalitaire, seculiere rechtsstaat in de weg staat, moet worden aangevallen met een spervuur van aantijgingen, beledigingen, bespottingen en beschimpingen in de vorm van “meningen” waarvoor een absolute vrijheid wordt geclaimd. Alles wat daar tegenin gaat, heeft deze vrijheid uiteraard niet. Het strafrecht moet nog worden aangepast. Libertijnen moeten nog een vrijbrief krijgen om te zeggen wat ze willen en te doen wat ze zeggen. En uitzonderingen voor deze “vrijheid” moeten er komen voor christenen, islamieten, extreemrechtse personen en dergelijke. Die moeten op basis van aparte bepalingen de mond kunnen worden gesnoerd. Zulke mensen discrimineren, zijn racist of zijn fundamentalist.

Het vreemde is nu dat Gregorius Nekschot en Hirsch Ballin in dit proces samen lijken te werken. Ook Hirsch Ballin wil geen terugkeer naar het oude systeem waarin grondrechten, burgerschap en dergelijke nog klopten met elkaar. Als iemand zijn handen wil gebruiken om zijn eer te verdedigen, roept Gregorius om politie-inzet die Hirsch Ballin maar al te graag wil leveren. Als Hirsch Ballin toestaat dat iemand als Gregorius Nekschot wordt opgepakt op dezelfde gronden als ook extreemrechtse personen worden opgepakt, is Gregorius niet verbolgen over de redenen, maar blijft hij goedpraten dat anderen om dezelfde redenen worden opgepakt en verzint over zijn eigen arrestatie tal van drogredenen, zoals de speculatie dat Hirsch Ballin stiekem de godslastering wil aanpakken. Iets waarvoor geen enkele aanwijzing is te vinden. Beide, Gregorius Nekschot en Hirsch Ballin, zijn voor een strafrechtmaatschappij die het totale leven intimideert. Iemand als prof. J.A.A. van Doorn had dit goed in de gaten. Als echte klassieke liberaal zag hij nog een maatschappij voor ogen waarin op een gefundeerde wijze ruimte moest worden gelaten. En risico moest worden gelopen. Ook op klappen. Van Doorn had het juist. Bij hem was de burger nog een “burger”. Als die in een café beledigd wordt, door iemand die op dat moment lak heeft aan elke burgerlijke verhouding, en in een omgeving waar juist spontaniteit en kameraadschap de toon aangeven en dus op de proef kunnen worden gesteld, dan kan de echte burger als natuurlijke persoon primair reageren. Want voor Van Doorn was de mens niet louter en alleen een gepolitiseerde burger. Een burger ben je in verhouding tot iets overstijgends; ondertussen is en blijf je natuurlijk wel een natuurlijke persoon die het burgerschap als ambt bekleed. Want juist het onderscheid tussen natuurlijke persoon en de burger als ambtsbekleder verbond diezelfde burger met het hogere belang. En juist daarin werden de fundamenten van een gezonde maatschappij zichtbaar. Van Doorn zag het scherp. Als columnist en als hoogleraar en als politicus ben je verantwoordelijk op het publieke terrein. Maar als bierdrinkende en cafébezoekende kameraad, of als huisvader thuis, of als geliefde in de slaapkamer ben je iets fundamentelers. Dat kan zich uiten in intimiteit, in vrolijkheid, maar ook in een primaire reactie bij belediging. Wie dit onderscheid niet ziet, niet wil zien, ondergraaft de rechtsstaat en vestigt de moderne staat: de eenrichtingsstaat waarin iedereen dezelfde kant oprijdt.


Lees verder...

zaterdag 17 mei 2008

HET VERDRIET VAN RECHTS

Afgelopen maanden vonden er in rechtse kringen twee opmerkelijke begrafenissen plaats. Die van het paleoconservatisme en die van het traditioneel conservatisme. Begin april verklaarde professor Paul Gottfried het paleoconservatisme voor dood in een essay op het paleoconservatieve Takimag.com. Niet lang daarna deed professor Claes Ryn hetzelfde met het traditioneel conservatisme in het toonaangevende blad Modern Age.

Twee begrafenissen in slechts enkele maanden tijd. Twee tegenstanders van Mei ’68 zijn niet meer en liggen onder de grond. Althans volgens haar volgelingen. Niet dat dit volgens Paul Gottfried en Claes Ryn het einde betekent van een conservatieve, rechtse beweging; hierover straks nog een enkel woord. Maar toch zit er iets definitiefs in hun aankondigingen. Het deed me denken aan een soortgelijke proclamatie van Peter Sloterdijk tijdens het zogenaamde Eugenetica-debat met onder meer Jürgen Habermas. Sloterdijk sprak toen de gedenkwaardige woorden:
"De Kritische Theorie is gestorven. Ze was al geruime tijd bedlegerig, de kribbige oude dame, nu is ze van ons heengegaan. We zullen samenkomen aan het graf van een tijdperk om de balans op te maken, maar ook om het einde van een hypocrisie te gedenken."

Tja, wat is dat nu, vraagt u zich misschien af? De Kritische Theorie hoorde toch bij de revolutie van Mei ’68? En die is nu dood verklaard? En ondertussen zijn haar belangrijkste tegenstanders ook overleden? Maar wat leeft er dan nog wel? Waarmee zitten wij dan opgezadeld? Nu de moeder van alle revoluties, deze laatstgeborene, is heengegaan, zal het gebrul van de tijger – die elke revolutie toch is – dan eindelijk verstommen?

Peter Sloterdijk ziet het goed: de tijger van Mei ’68 is dood. Want elke revolutie, elke tijger doodt zichzelf nadat ze de meeste van haar kinderen heeft opgegeten. Deze kinderen van de revolutie zijn vaak rechts, conservatief, dom en naïef. De overgebleven kinderen zullen huilen. En in hun gewetens zal de tijger blijven brullen. Ziehier de huidige toestand van rechts na Mei ‘68 in een notendop. Maar goed, de mokerslag van Mei ’68 is enorm geweest. Zo krachtig dat bijna alles eraan is overleden. Als laatste Revolutie heeft ze haar werk grondig gedaan. Rechts, traditioneel, conservatief Europa heeft zulke klappen opgelopen dat reanimatie geen zin meer heeft. Daar ligt hij, die zielige oude, rechtse Europeaan, naast die oude, tandeloze vrouw met de naam christendom. Vergeten en veracht.

De rechtse meneer is zwak geworden. Hij is te zwak om nog na te kunnen denken. Hij is verzwakt omdat hij dacht de tijger te kunnen berijden, maar werd zelf door dit beest aangevallen. En hij blijft zwak door het aanhoudende mitrailleurvuur van de moderniteit. De gehele toestand van rechts na de revolutie van Mei ’68 is te vervatten in deze drie geluiden: Het geluid van een brullende tijger, het geluid van een huilende krokodil en dat van aanhoudend mitrailleurgeweer.

Allereerst de huilende krokodil. Het verdriet van rechts is dat er niet zoiets te horen is als het geluid van ècht verdriet. Rechts doet alsof ze treurt, maar wie goed kijkt, ziet enkel krokodillentranen. Men verafschuwt de revolutie, maar stiekem adoreert men de vruchten ervan. Ook rechts is bevrijd van de bevoogding door kerk, traditie en familie. Ook rechts kan nu geloven, zeggen, schelden, denken en roepen wat men wil. De ballast van de geschiedenis, van kruistochten, inquisitie, vrouwenonderdrukking, geweld en scheppingsbijgeloof is afgeworpen. Toch knaagt het ons aan. Rechts zonder traditie is immers niks? En elke keer als we voorzichtig opkomen voor het gezin, voor de heteroseksuele normaliteit – steeds weer brult de tijger van de revolutie ons toe in elk debat, in elke aantijging in een De Morgen of in een De Standaard. En bovenal: ze brult in onze gewetens. De kinderen van Mei ’68 hoeven zich nooit te verdedigen. Ze hoeven dat ook niet, want ze hebben gewonnen. En ze kunnen dat ook niet, want de tijger is dood. De revolutie heeft zich vereenzelvigd met het gewone leven en heeft daardoor alles wat rechts is belachelijk gemaakt.

Rechts is dus stiekem blij – blij over de verworvenheden van de revolutie – èn stiekem bang – bang voor de wraak van haar verleden. Bovendien schaamt rechts zich voortdurend. En daar heeft ze ook reden toe. Want hoe vaak heeft rechts niet geprobeerd de tijger te berijden? Toen de Amerikaans-Nederlandse historicus James Kennedy de Mei ’68 revolte in Nederland onderzocht, in zijn proefschrift Nieuw Babylon in aanbouw, viel hem vooral dit op: in tegenstelling tot wat de mythe van de historici ons leerde, werd de culturele revolutie van de jaren ’60 in Nederland niet in gang gezet door studenten, krakers en hippies, maar door het conservatieve establishment zelf. Regenten en bisschoppen dachten de tijger te berijden door het initiatief over te nemen. En dit is historisch gezien niets nieuws. De tijger profiteert altijd van de kracht van de stommiteiten van rechts. Liberalen, socialisten, communisten, nationaal-socialisten, neomarxisten – allen hebben ze geprofiteerd van de kracht èn van de stupiditeit van rechts. En daarvoor schamen we ons nog steeds. De tijger is dood, maar in onze slaap, in onze gewetens brult ze nog steeds.

We zeiden het al: het verdriet van rechts is dat er geen werkelijk verdriet is. En daarin lijkt ze op de wereld van de revolutie waarin immers ook geen verdriet wordt gekend. De revolutie kent geen verdriet, enkel frustratie. Geen blijdschap, maar cynisme. Ze heeft de vrolijkheid verruilt voor enthousiasme. Nederigheid voor mondigheid; rechtvaardigheidsgevoel voor ressentiment; roepingsbesef voor fanatisme. Het kenmerk van de revolutie is haar tweedimensionale geestesgesteldheid van oppervlakkige emoties met daaronder een constante, smeulende woede. Neem bijvoorbeeld de persoon van Hugo Claus, schrijver van “Het verdriet van België”. Dit grootste stuk verdriet van België kenmerkte zich door veel dingen: vuilbekkerij, spot, blasfemie, pornografie, ressentiment en woede. Alleen niet door verdriet. Wel door weerzin. En deze weerzin keerde zich uiteindelijk tegen zijn eigen lichaam. Want de moderniteit vreet altijd zichzelf op. Claus kende geen verdriet. En hij kon daarom niet barmhartig zijn naar zijn opvoeding en naar het verleden toe. Enkel en alleen was er ook bij hem de smeulende woede die eindigde in smerige taal en die uiteindelijk bij hem de hand aan zichzelf deed slaan.

Hugo Claus was een duidelijk exemplaar van de tweedimensionale mens die er sinds Mei ’68 is opgestaan: een oppervlakte van frustratie die enkel en alleen diepte krijgt door de duistere diepten van vuiligheid en haat af te tasten en dit op te tuigen met een hoop overbodige informatie. Het resultaat: de moderne roman. Of de moderne column. Of iets dergelijks. De generatie van Hugo Claus heeft ons doen willen geloven dat de strijd van ’68 de strijd was tegen het fascisme. Hoe lang zullen we dit nog geloven? Volgens Götz Aly, die als student een rol speelde in het Duitse Mei ’68, moeten we dit beeld bijstellen. Volgens hem week de vernietigingdrang van de Mei ’68 generatie niet af van die van de nazi’s enkele decennia eerder. In zijn boek, Unser Kampf 1968, merkt deze veteraan van “Mei ‘68” op dat er meer overeenkomsten waren tussen de neomarxisten van Mei ’68 en hun nationaal-socialistische ouders en grootouders dan men denkt. Hij noemt een aantal zaken waaronder het gemeenschappelijke streven naar tabula rasa. Een streven dat zich niets aantrekt van historie, traditie, natuur en religie. Integendeel, al deze genoemde zaken werden juist verdacht gemaakt en in een kwaad daglicht gesteld omdat deze zaken ontwikkeling en vooruitgang van inzicht in de weg zouden staan. Behalve dat Götz Aly de mythe ontzenuwt dat de naoorlogse generatie Duitsers de oorlog verzweeg, keert hij het om: juist de neomarxistische studentengeneratie verdrong de oorlog en legde daarentegen eenzelfde pathos aan de dag als de nazi’s deden: dwepen met nieuwe waarden om de oude te vernietigen. En ik voeg daar aan toe: om uiteindelijk ook de nieuwe waarden los te laten.

Mei ’68 heeft politiek, recht en cultuur losgeweekt van de fundamenten zonder daar andere waarden voor in de plaats te bieden. Men heeft oude waarden, zoals tolerantie, vrijheid en vertrouwen, ontdaan van de basis – ontdaan van de oorspronkelijke betekenis en inhoud. Waar voorheen deze waarden een positieve betekenis hadden, en slechts konden worden verstaan in de bedding van een Europese, christelijke cultuur, hebben de revolutionairen van Mei ’68 deze begrippen veranderd van waarden in anomalieën – onmogelijkheden. Eén zo´n anomalie van de moderniteit is die van het moderne vertrouwen.
De moderne maatschappij eist steeds meer grenzeloos vertrouwen van de burger in de systemen terwijl het natuurlijke fundament voor dit vertrouwen afneemt. De moderniteit vraagt immers steeds meer vertrouwen van de burger in de grote onpersoonlijke machten en processen? Zonder vertrouwen klopt ons systeem niet meer, ik verwijs hiervoor naar het werk van Niklas Luhmann. Maar het ongefundeerde vertrouwen is problematisch aan het worden.

De Nederlandse minister van justitie Hirsch Ballin heeft het geweten. In de nasleep van de discussie over de film “Fitna” van Geert Wilders toverde hij, zoals u misschien nog kan herinneren, opeens een notitie tevoorschijn waaruit zou moeten blijken dat Wilders van tevoren het kabinet had medegedeeld dat hij in zijn film ook pagina’s uit de Koran zou scheuren. Wilders was ziedend en zei dat hij zoiets nooit had gezegd. Volgens hem loog het kabinet. En een groot deel van de bevolking wist achteraf niet meer wie de waarheid had gesproken. De vele oproepen tot vertrouwen in politiek en bestuur en de afgedwongen overgave aan de machten van politiek en justitie blijken in onze tijd opeens geen basis meer te bezitten – ze zweven als het ware. Nog nooit is het vertrouwen van de Nederlandse burger in de politiek zo laag geweest. Mei ’68 heeft met haar vernietigende kritiek de basis van gezond vertrouwen vernietigd. Haar kritiek heef het volk structureel wantrouwend gemaakt. En dit wantrouwen keert zich nu tegen het postrevolutionaire establishment.

De tijger van Mei ’68 is gestorven. Haar erfenis bestaat uit twee dingen. Ten eerste het gebrul in het collectieve geweten van onze cultuur – ik heb dit reeds kort aangestipt. Ten tweede is er haar nalatenschap in de vorm van een machine: een machinegeweer. Het geluid van de moderniteit is een constant mitrailleurvuur. De generatie van Mei ’68 heeft een mitrailleur gebouwd die als een machine alles wat boven het maaiveld uitkomt, neer maait. Met een stelsel van politieke correctheid, gelijkheidsdenken en antidiscriminatiewetgeving heeft ze een mitrailleur ontwikkeld die constant haar schoten afvuurt op de samenleving. Door haar ressentiment van een politiektechnisch instrumentarium te voorzien, heeft Mei ’68 de tijger vervangen door een mitrailleur om zo de geschiedenis af te sluiten en op te heffen. Politiek gezien bestaat het mitrailleurvuur uit de constante druk van gelijkheidsdenken, antidiscriminatiebepalingen, politiekcorrect denken op alle niveaus van ons bestaan. Technisch gezien bestaat het mitrailleurvuur uit bijvoorbeeld een medium als Internet dat al onze stappen onuitwisbaar maakt, en elke levensloop transparant kan maken.

Ik maak nu een omslag, en wel als volgt: Ik geloof steevast dat de machine van Mei ’68 ooit uit elkaar zal knallen. Links ondergraaft zichzelf namelijk voortdurend. Ze creëert een abstracte samenleving die slechts gedijt op grenzeloos vertrouwen, maar ondertussen ondergraaft ze zelf alle voorwaarden voor dat vertrouwen. En links roept voortdurend om de noodzaak van nieuwe gemeenschapsvormen, maar ondertussen ondergraaft ze elke voorwaarde voor elke vorm van gemeenschap. De vraag is dus niet òf de linkse machine zal ontploffen, de vraag is wanneer en of wij dat nog mee zullen maken. Want wij moeten natuurlijk wel overleven.

Met andere woorden: zijn wij in staat om het gebrul van de tijger in onze gewetens te doen verstommen, om onze verlamming te doorbreken, het krokodillengehuil te vervangen door echt verdriet en onze agenda niet meer te laten bepalen door het mitrailleurvuur van media en politiek? Zijn wij nog in staat om tegenover een linkse cultuur van ressentiment, ondankbaarheid en woede een tegencultuur te poneren van dankbaarheid, eer en verdriet? We zullen wel moeten, en de vraag is dan ook alleen: hoe?

Om te overleven en een begin te maken met het herstel zullen we ons moeten onttrekken aan de revolutie die nog steeds het straatbeeld domineert. De agressieve moderniteit met haar mitrailleurvuur brengt ons alleen maar op slechte ideeën. Ze put ons uit door onze hoop te vestigen op pamfletten, activisme en politisering. Ze daagt ons voortdurend uit om ons bloot te geven en ons via Internet ongeschikt te maken voor elke gang door de instituties. Rechts heeft een schreeuwend gebrek aan luwte. Hoe komen we aan deze luwte die ons denken weer op orde kan brengen?

Daarvoor keer ik terug naar het begin van mijn verhaal. Naar de begrafenis van het paleoconservatisme en dat van het traditioneel conservatisme door Claes Ryn en Paul Gottfried. Rechts is volgens hen dood omdat ze zich heeft laten verleiden door pragmatisme, doordat ze teveel is opgegaan in de waan van politiek en actualiteit, en door tal van andere redenen. Èn doordat ze lui is en het denken aan links overlaat en bovendien verstoken is van enige vorm van verbeeldingskracht waardoor onze kinderen alleen nog maar romans lezen van verbitterde lieden als Hugo Claus en consorten. De Kritische Theorie van links is dan wel dood en begraven, maar ze heeft haar uitwerking niet gemist. En de cultuur is dan wel een lachertje geworden, maar we leven er ondertussen wel middenin. En de nieuwe generaties weten niet beter dan dat alles om hen heen normaal is en nooit anders is geweest en ook niet anders kan.

Professor Ryn wijst op de noodzaak van theorievorming en verbeeldingskracht. Rechts moet, volgens Ryn, haar huiver voor theorievorming overboord gooien. En we moeten nadenken hoe het komt dat de culturele inbreng van rechts in onze tijd nihil is. Waarom reageren we alleen nog - zijn we reactionair geworden - maar zijn we niet in staat om mensen te veranderen en ze ongeschikt te maken voor de revolutie?

Want dat is mijn persoonlijke ervaring: vaak is het niet nodig om goede mensen vol te stoppen met de juiste ideologische bagage. Het is vaak genoeg om ze ongeschikt te maken voor de revolutie. Goede boeken, goede ideeën, de juiste vragen en mensen om hen heen doorbreekt de banden van de revolutie. Maar om - ook zo - mensen te bekeren, is het nodig om beslag te leggen op deze mensen.
En rechts bekeert geen mensen omdat ze het vermogen mist beslag te leggen op mensen. En om beslag te kunnen leggen op de moderne mens voeg ik nog een derde element bij de twee die professor Ryn reeds noemde, namelijk “gemeenschapsvorming”. Het intellectuele, het artistieke en het sociaal-emotionele leggen alle beslag op de mens. Maar het gaat om het integrale geheel waarbij de “gemeenschap” zowel onderdeel is als kader van het geheel. De glasheldere theorie, het vertrouwenwekkende van de gemeenschap en het intrigerende van de roman, leggen beslag, laten een indruk achter, smeden banden voor het leven.

Die gemeenschapsvorm is cruciaal. Want hoe doe je anders aan theorievorming als je geen academie hebt? Hoe doorbreek je een sfeer van provincialisme en activisme waarbij iedereen z’n eigen straatje veegt, maar waarbij geen enkel straatje nog naar Rome voert? En er dus geen culturele en ideologische synthese meer mogelijk schijnt? Dat kan door een structuur op te zetten van virtuele koffiehuizen en virtuele discoursen die uitgroeien tot een netwerk van kleinschalige initiatieven. Want zowel het kunstwerk als de theorie hebben eenzelfde geboortegrond: een sterke cultuur van intellectuele vriendschap. Daar ontstaan de ideeën die in de vorm van romans en van theorieën vorm kunnen krijgen. Met als tussenstap een essayistisch klimaat.

Rechts zal zich moeten onderscheiden in een oefening die zowel het gewone leven omsluit als de kunsten. Om de brullende tijger in ons geweten het zwijgen op te leggen zullen we eindelijk eens schoon schip moeten maken met de ballast van ons verleden. En alleen een culturele en ideologische synthese verhindert een koelbloedige afrekening met dat verleden. Een cultuur van dankbaarheid en van echte emoties zal het tegen de cultuur van ressentiment moeten opnemen. En alleen door de politiek naar het tweede plan verwijzen, zullen we het geluid van het mitrailleurvuur stoppen. Let wel: het geluid, maar niet het vuur zelf. Maar meer is niet mogelijk en we zullen die luwte nodig hebben om rechts weer op orde te krijgen. Veertig jaar Mei ’68 vraagt dus om concrete stappen van ons.

Opmerking

Bovenstaand artikel is oorspronkelijk uitgesproken als lezing op een symposium over "Mei ‘68" te Brussel op 17 mei 2008 georganiseerd door het Vlaams Belang.

Lees verder...

dinsdag 1 april 2008

MY NAME IS "MENINGSUITING"

"My name is "meningsuiting". "Wablief?" "My name is meningsuiting!" "En voor de rest: I'm a Nobody. I'm a nobody's fool living in Nobody's Fool Land." "Fitna or No Fita is'n the question. The question is: Who Am I? Am I "meningsuiting"?

Laat ik het maar in het Engels doen. Aangezien de wereld in het geding is, kunnen een paar woordjes Engels geen kwaad. Mijn steenkolen-Engels bestaat uit het idioom van een gemiddelde Mexicaanse boer en daar valt het woord "meningsuiting" niet onder. Ik kan het ook niet vertalen. Net als het woord "apartheid" - dat kan ik ook niet vertalen. Want om het te vertalen, zul je moeten weten wat het woord betekent, en dat weet ik niet: "Meningsuiting?" Het is de naam van elke wereldburger, van elke idioot in niemandsland, en toch weet ik niet wat het betekent. Weet ik niet wie ik ben.


Om erachter te komen wie je bent, kun je twee dingen doen: zoeken wat je bent of wegstrepen wat je niet bent. Ik koos voor het laatste. Hoewel... kiezen. Ik werd omringd door oproepen om iets niet te zijn. Om iets niet te vinden. En om iets te vinden wat je niet gevonden wilt hebben.

Maar allereerst: ik ben geen moslim. En dus ben ik niet religieus, aangezien in het huidige tijdvak ieder religieus mens een moslim is.

Ik ben geen bezielde zak met vlees; ik ben enkel en alleen een zak met vlees. Een ziel is ondemocratisch - voldoet niet aan het rationele criterium van John Rawls, is dieronvriendelijk - het onderscheidt ons namelijk onnodig van het dier, en het is metafysisch - dat is eng en gevaarlijk (het is namelijk niet verhandelbaar).

Ik heb geen verleden. Om iemand te zijn moet je zonder verleden zijn. Het verleden doodt het ego. Nog beter is het je geheugen af te laten sterven. Daarom kijk ik ook elke avond tv.

Ik heb geen familie en geen afkomst. Mijn flexibele instelling gunt me geen tijd om mijn ouders te bezoeken. Ze zijn trouwens gescheiden wat het gelukkig zo gecompliceerd maakt dat ik me gelukkig geheel en al kan richten op mijn carrière.

Ik kan mezelf niet verdedigen. Ik haat geweld van jihadisten. Ik adoreer het geweld van secularisten.

Ik heb geen bezit. Dat is me ontnomen toen men besloot de Wieringermeer - en daarmee mijn grond - onder water te zetten ten behoeve van wat rijke, Amsterdamse yuppen.

Ik heb geen zekerheden. ieder moment kan ik op mijn werk de laan uitvliegen en mijn baan kwijtraken. En dat is maar goed ook: het is namelijk goed voor de economie. Over twee jaar zit ik waarschijnlijk zonder baan en krijg ik er door de EU één aangeboden in Moldavië. Ik zal dat alleen maar toejuichen. Laat men mij maar onteigenen; laat men mij maar ontwortelen. Dat is goed voor de economie en daarom goed voor de wereldvrede.

Ik kan mezelf niet begrijpen. Leraren op school moesten me al duidelijk maken wat ik was - of wat ik moest zijn volgens het Ministerie van Onderwijs. Maar daarna wist ik het nog niet. Ik las een volkskrant die me zei wat ik moest denken. Ik huurde een therapeut in die me vertelde hoe ik moest voelen. Ik bietste een televisie die me voordeed hoe ik moest toneelspelen en daarbij behoorde te lachen. Al deze mensen ben ik zeer dankbaar (laten we het maar een naampje geven).

Ik ben van nature een atheïst met een spirituele hobby. Zowel de godloochenaars, de politici als de piëtistische dominee's leren me dat ik een atheïst ben. En dat ik hobby's moet uitoefenen, anders kom ik er niet. Ik heb een mooie hobby gevonden: geloof in democratie.

De samenvatting van dit alles valt onder de noemer "mening". Alle nietsigheden bij elkaar vormen de specie "mening". Het leven - dat wat ik mijn persoon zou kunnen noemen - is de uiting van deze "mening": meningsuiting. Ik ben een meningsuiting. Meer nog: ik bèn meningsuiting. Elke uiting is een uiting van wat ik niet ben. Ik ben voor Europa omdat ik geen land heb. Ik vloek omdat ik geen god heb. Ik gedraag me als Youp van 't Hek omdat ik geen ouders wil hebben. Ik stem omdat ik een egoïst ben die zijn zakken wil vullen ten koste van de ander en omdat ik een luiaard ben die graag geloof wat journalisten en politici mij wijsmaken. Hun mening is mijn mening; en mijn mening is hun mening. Wat wil een mens nog meer?

"My name is "meningsuiting". "Wablief?" "My name is meningsuiting!" "En voor de rest: I'm a Nobody. I'm a nobody's fool living in Nobody's Fool Land." "Fitna or No Fita is'n the question. The question is: Who Am I? (En wat is meningsuiting?)"


Lees verder...